Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
201010063/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 8 september 2010 heeft de Rb. het door Jocotrans B.V. tegen het besluit op bezwaar van 16 juli 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit van 25 maart 2009 herroepen en het college opgedragen ontheffing te verlenen van het verbod vrachtauto's met een in werking zijnde koelaggregaat te parkeren op de weg, onder de beperking dat de ontheffing slechts geldt voor maximaal vier vrachtauto's met in werking zijnde koelaggregaten op een maximale afstand van 100 m van het bedrijf van Jocotrans aan de Spanjeweg 16, gedurende doordeweekse dagen van maandag tot en met vrijdag van 16.00 uur tot 19.00 uur, waarbij elke vrachtauto maximaal één uur geparkeerd mag worden. De Rb. heeft verder bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Anders dan het college heeft gesteld, heeft de Rb. in haar uitspraak van 8 september 2010 niet zelf in de zaak voorzien, maar het college opgedragen een besluit te nemen met de inhoud die zij heeft voorgeschreven. Geen grond bestaat daarom voor het oordeel dat het college geen besluit meer behoefde te nemen omdat de Rb. in de zaak heeft voorzien. Het college kan evenmin gevolgd worden in zijn standpunt, dat het reeds een besluit heeft genomen door hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de Rb. van 8 september 2010. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr. 201003090/1/H3; LJN: BO3490, NA 2010, 814) levert het instellen van een rechtsmiddel bij een rechtsprekend college geen besluit op in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb. Voorts vloeit uit art. 6:16 Awb voort dat door het instellen van hoger beroep het college niet is ontslagen van de verplichting om een nieuw besluit te nemen in de plaats van het door de Rb. vernietigde besluit overeenkomstig haar uitspraak. Het college heeft ten onrechte geen besluit genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Rb. van 8 september 2010. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond. In de brief van 18 januari 2011 neemt het college het standpunt in dat het geen dwangsom verschuldigd is. Jocotrans betoogt daarom terecht dat die brief een besluit is in de zin van art. 1:3 Awb. Omdat Jocotrans het in het besluit van 18 januari 2011 ingenomen standpunt van het college betwist en tevens hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rb. van 8 september 2010, waarin het besluit van 16 juli 2009 ter toets voorlag, wordt het besluit van 18 januari 2011 krachtens art. 4:19 Awb betrokken in de procedure van het hoger beroep. Zoals hiervoor (r.o. 2.3.1) is overwogen, is het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond. Jocotrans heeft het college op 22 oktober 2010 in gebreke gesteld. Het college is na deze ingebrekestelling ingevolge art. 4:17, derde lid, Awb een dwangsom verschuldigd vanaf 6 november 2010, de dag waarop twee weken zijn verstreken na het ontvangen ervan. Nu het college nog immer geen besluit heeft genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Rb. van 8 september 2010, wordt ingevolge art. 8:55c gelezen in verbinding met art. 4:17, tweede lid, Awb de verschuldigde dwangsom op € 1.260 vastgesteld. Het college heeft zich in het besluit van 18 januari 2011 ten onrechte op het standpunt gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd. Dat besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Nu het college nog geen besluit bekend heeft gemaakt, zal worden bepaald dat het binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt op straffe van een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201010063/2/H3.

Datum uitspraak: 25 februari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jocotrans B.V., gevestigd te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 8 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Jocotrans tegen het besluit op bezwaar van 16 juli 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit van 25 maart 2009 herroepen en het college opgedragen ontheffing te verlenen van het verbod vrachtauto's met een in werking zijnde koelaggregaat te parkeren op de weg, onder de beperking dat de ontheffing slechts geldt voor maximaal vier vrachtauto's met in werking zijnde koelaggregaten op een maximale afstand van 100 m van het bedrijf van Jocotrans aan de Spanjeweg 16, gedurende doordeweekse dagen van maandag tot en met vrijdag van 16.00 uur tot 19.00 uur, waarbij elke vrachtauto maximaal één uur geparkeerd mag worden. De rechtbank heeft verder bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2010, heeft het college hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 8 november 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2010, heeft Jocotrans hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 17 november 2010.

Bij brief van 22 oktober 2010 heeft Jocotrans het college in gebreke gesteld.

Bij brief van 3 januari 2011, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde dag, heeft Jocotrans beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010. Zij heeft de rechtbank daarbij verzocht de door het college verbeurde dwangsommen vast te stellen, het college op te dragen een besluit bekend te maken en een nadere dwangsom daaraan te verbinden voor iedere dag dat het in gebreke blijft de uitspraak van 8 september 2010 na te leven.

Bij brief van 3 januari 2011, bij het college ingekomen op 4 januari 2011, heeft Jocotrans bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beschikking tot vaststelling van de hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010.

Bij brief van 18 januari 2011 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het geen dwangsommen heeft verbeurd.

Bij brief van 20 januari 2011 heeft Jocotrans de rechtbank verzocht de door haar als besluit aangemerkte brief van 18 januari 2011 van het college te vernietigen en het bedrag van de door het college verbeurde dwangsommen vast te stellen. Bij brief van 14 februari 2011 heeft de rechtbank deze brief en de brief van Jocotrans van 3 januari 2011 met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorgestuurd aan de Afdeling.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge het vijfde lid schort beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking de dwangsom niet op.

Ingevolge artikel 4:18 stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting nodig acht.

Ingevolge artikel 8:55c stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3, waartoe de artikelen 4:13 tot en met 4:20 behoren, verbeurde dwangsom vast.

Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het tweede lid verbindt de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

2.2. Omdat het college geen besluit heeft genomen waarin gevolg werd gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010, heeft Jocotrans het bij brief van 22 oktober 2010 in gebreke gesteld. Volgens haar is de laatste dag waarop het college een dwangsom heeft verbeurd 17 december 2010. Daarom had het uiterlijk op 31 december 2010 de hoogte van de verbeurde dwangsom moeten vaststellen, aldus Jocotrans. Nu dit niet is geschied, heeft zij bij brief van 3 januari 2011 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beschikking tot vaststelling van de hoogte van een dwangsom. Tevens heeft zij bij brief van die datum beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010. Tegen de brief van het college van 18 januari 2011, waarin het zich op het standpunt heeft gesteld dat het geen dwangsommen heeft verbeurd, heeft Jocotrans beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank met haar uitspraak van 8 september 2010 zelf in de zaak heeft voorzien en het daarom geen nieuw besluit behoeft te nemen op het door Jocotrans gemaakte bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2009. Subsidiair heeft het zich op het standpunt gesteld dat het wel een nieuw besluit heeft genomen door hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010.

2.3.1. Anders dan het college heeft gesteld, heeft de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, maar het opgedragen een besluit te nemen met de inhoud die zij heeft voorgeschreven. Geen grond bestaat daarom voor het oordeel dat het college geen besluit meer behoefde te nemen omdat de rechtbank in de zaak heeft voorzien. Het college kan evenmin gevolgd worden in zijn subsidiaire standpunt, dat het reeds een besluit heeft genomen door hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr. 201003090/1/H3; www.raadvanstate.nl) levert het instellen van een rechtsmiddel bij een rechtsprekend college geen besluit op in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Voorts vloeit uit artikel 6:16 van de Awb voort dat door het instellen van hoger beroep het college niet is ontslagen van de verplichting om een nieuw besluit te nemen in de plaats van het door de rechtbank vernietigde besluit overeenkomstig haar uitspraak.

Het college heeft ten onrechte geen besluit genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond.

2.3.2. In de brief van 18 januari 2011 neemt het college het standpunt in dat het geen dwangsom verschuldigd is. Jocotrans betoogt daarom terecht dat die brief een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Omdat Jocotrans het in het besluit van 18 januari 2011 ingenomen standpunt van het college betwist en tevens hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010, waarin het besluit van 16 juli 2009 ter toets voorlag, wordt het besluit van 18 januari 2011 krachtens artikel 4:19 van de Awb betrokken in de procedure van het hoger beroep.

Zoals hiervoor onder 2.3.1 is overwogen, is het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond. Jocotrans heeft het college op 22 oktober 2010 in gebreke gesteld. Het college is na deze ingebrekestelling ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb een dwangsom verschuldigd vanaf 6 november 2010, de dag waarop twee weken zijn verstreken na het ontvangen ervan. Nu het college nog immer geen besluit heeft genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2010, wordt ingevolge artikel 8:55c gelezen in verbinding met artikel 4:17, tweede lid, van de Awb de verschuldigde dwangsom op € 1.260,00 vastgesteld. Het college heeft zich in het besluit van 18 januari 2011 ten onrechte op het standpunt gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd. Dat besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

2.3.3. Nu het college nog geen besluit bekend heeft gemaakt, zal worden bepaald dat het binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Voorts wordt een dwangsom vastgesteld voor elke dag dat het geen nieuw besluit bekend heeft gemaakt na ommekomst van die termijn.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Bij de berekening van de kosten zal wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor zeer licht (0,25) worden gehanteerd voor het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, omdat dat beroep enkel daartegen was gericht. Voor het beroep tegen het besluit van 18 januari 2011 zal de wegingsfactor gemiddeld (1) worden gehanteerd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

II. vernietigt dat daarmee gelijk te stellen besluit;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk van 18 januari 2011, kenmerk COO/uit/11-97 / Z11-54, gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. stelt de hoogte van de door het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk verschuldigde dwangsom vast op € 1.260,00 (zegge: twaalfhonderdzestig euro euro);

VI. bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 18 januari 2011, kenmerk COO/uit/11-97 / Z11-54;

VII. draagt het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk op om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen is overwogen in de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 september 2010 in zaak nr. 09/5499 een nieuw besluit te nemen;

VIII. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jocotrans B.V. een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 (zegge: honderd euro) bedraagt, met een maximum van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro);

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jocotrans B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 546,25 (zegge: vijfhonderdzesenveertig euro en vijfentwintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Den Broeder

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht).

- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

187-622.