Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
201100873/3/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het beroep van de wederpartij heeft, gelet op art. 2.14 Chw, tot gevolg dat de inwerkingtreding van het projectuitvoeringsbesluit is opgeschort. Het verzoek van verzoekers om voorlopige voorziening is er op gericht de opschorting op te heffen. Art. 2.14, tweede volzin, Chw verbindt echter de beëindiging van de opschorting aan de beslissing van de Afdeling op het beroep. De Chw voorziet, anders dan bijvoorbeeld art. 17, derde lid, Monumentenwet 1988, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de voorzitter hangende het beroep de opschorting opheft. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 217, nr. 3, blz. 21) is wat betreft een projectuitvoeringsbesluit uitdrukkelijk voor deze regeling gekozen vanwege de ingrijpende en onomkeerbare gevolgen die een zodanig besluit kan hebben voor de fysieke leefomgeving en vanwege de korte termijn van zes maanden na afloop van de beroepstermijn waarbinnen de Afdeling op het beroep moet beslissen. Nu de wetgever uitdrukkelijk voor deze regeling heeft gekozen, bestaat, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek met toepassing van art. 8:81 Awb. Van dergelijke omstandigheden is geen sprake. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het beroep ingevolge art. 1.6, eerste lid, Chw met toepassing van afdeling 8.2.3 Awb in behandeling is genomen en dat de behandeling ter zitting van dat beroep thans is voorzien op 19 april 2011. Het verzoek is dan ook als kennelijk ongegrond (zonder zitting) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.6
Crisis- en herstelwet 2.10
Crisis- en herstelwet 2.14
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 17
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/99
BR 2011/90 met annotatie van I.M. van der Heijden en W.J. Bosma
Milieurecht Totaal 2011/6089
M en R 2011/130 met annotatie van Nijmeijer
TBR 2011/83 met annotatie van J.C. Ellerman
JB 2011/97
JOM 2011/272
JOM 2011/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100873/3/H1.

Datum uitspraak: 24 februari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de vennootschap onder firma Bouwcombinatie Hoge Klei V.O.F., gevestigd te Voorburg, en andere (hierna: verzoekers),

om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) hangende het beroep van:

[appellant] e.a., allen te Wassenaar (hierna: [appellanten],

en

de raad van de gemeente Wassenaar,

(hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2010 heeft de raad een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) genomen ten aanzien van een plan voor de bouw van woningen, gelegen aan de Hoge Klei, kadastraal bekend Wassenaar, sectie B, nrs. 7246, 10137, 10283.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2011, hebben [appellanten] beroep ingesteld tegen dat besluit.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2011, hebben verzoekers de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. De voorzitter doet uitspraak zonder zitting.

2.2. Het projectuitvoeringsbesluit is met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van de Chw door de raad vastgesteld ten aanzien van een plan dat voorziet in de ontwikkeling en verwezenlijking van 25 woningen.

2.3. Het projectuitvoeringsbesluit strekt, gelet op artikel 2.10, derde lid, van de Chw, gelezen in verbinding met het tweede lid van dat artikel, ter vervanging van de toestemmingen die vereist zouden zijn geweest voor de ontwikkeling en verwezenlijking van het plan, met uitzondering van de toestemmingen die zijn vereist krachtens de Flora- en faunawet, hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.

2.4. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Chw is afdeling 2 van die wet van toepassing op het projectuitvoeringsbesluit.

Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, van de Chw, behandelt de Afdeling het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Awb.

Ingevolge artikel 1.6, vierde lid, van de Chw doet de Afdeling binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak.

Ingevolge artikel 2.14, tweede volzin, van de Chw wordt de inwerkingtreding van een projectuitvoeringsbesluit opgeschort indien gedurende de beroepstermijn beroep wordt ingesteld, totdat de Afdeling op het beroep heeft beslist.

2.5. Het beroep van [appellanten] heeft, gelet op artikel 2.14 van de Chw, tot gevolg dat de inwerkingtreding van het projectuitvoeringsbesluit is opgeschort.

2.6. Het verzoek om voorlopige voorziening is er op gericht de opschorting op te heffen. Artikel 2.14, tweede volzin, van de Chw verbindt echter de beëindiging van de opschorting aan de beslissing van de Afdeling op het beroep. De Chw voorziet, anders dan bijvoorbeeld artikel 17, derde lid, van de Monumentenwet 1988, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de voorzitter hangende het beroep de opschorting opheft. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 217, nr. 3, blz. 21) is wat betreft een projectuitvoeringsbesluit uitdrukkelijk voor deze regeling gekozen vanwege de ingrijpende en onomkeerbare gevolgen die een zodanig besluit kan hebben voor de fysieke leefomgeving en vanwege de korte termijn van zes maanden na afloop van de beroepstermijn waarbinnen de Afdeling op het beroep moet beslissen. Nu de wetgever uitdrukkelijk voor deze regeling heeft gekozen, bestaat, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Van dergelijke omstandigheden is geen sprake. Daarbij neemt de voorzitter nog in aanmerking dat het beroep ingevolge artikel 1.6, eerste lid, van de Chw met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Awb in behandeling is genomen en dat de behandeling ter zitting van dat beroep thans is voorzien op 19 april 2011.

2.7. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Slump

voorzitter

w.g. Huijben

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2011

313.