Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7817

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201005472/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010, kenmerk 10R.00032, heeft de raad het bestemmingsplan "Brediuspark 1e herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005472/1/R2.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Kamerik, gemeente Woerden,

2. de stichting Stichting Kerngroep Bredius, gevestigd te Woerden,

en

de raad van de gemeente Woerden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010, kenmerk 10R.00032, heeft de raad het bestemmingsplan "Brediuspark 1e herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2010, en de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door A.M.C. Blauw-Griffioen, G.M. Hendriks-van den Broek en K.A. van Hoeij-de Boer, en de raad, vertegenwoordigd door A.S. Barelds, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt de bouw van vier woningen mogelijk en is wat betreft het woon- en zorgcomplex 't Oude Landt conserverend van aard.

2.2. [appellant sub 1] voert aan dat de raad ten onrechte niet op alle argumenten van zijn zienswijze is ingegaan.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zich er niet tegen verzet dat de zienswijzen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Woningen ten zuiden van de 's Gravensloot

2.3. [appellant sub 1] en de stichting kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de gronden ten zuiden van de 's Gravensloot. De stichting voert hiertoe aan dat de bouw van de vier woningen aan de 's Gravensloot in strijd is met de Nota Belvedère, het streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht (hierna: het streekplan) en de gemeentelijke Ruimtelijke Structuurvisie Woerden 2009-2030, omdat onvoldoende recreatiemogelijkheden in de nabijheid van het plangebied resteren en de cultuurhistorische waarden van het gebied worden aangetast. Verder betoogt de stichting dat er alternatieve locaties zijn voor de bouw van de vier woningen.

[appellant sub 1] betoogt tevens dat in stedenbouwkundig opzicht ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen de noordelijke zijde van de 's Gravensloot waar zijn woning staat en de gronden ten zuiden van de 's Gravensloot waarop de vier woningen zijn voorzien.

Voorts voert [appellant sub 1] aan dat door de bouw van de woningen de groenstrook die is gelegen tegenover zijn woning zal verdwijnen, zodat de geluidsoverlast vanwege het zwembad zal toenemen. Tevens brengt het plan een aantasting van zijn uitzicht en een aantasting van zijn privacy met zich, hetgeen zal leiden tot een vermindering van zijn woongenot en een waardedaling van zijn woning, aldus [appellant sub 1].

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De woningen zijn voorzien binnen de rode contour en zijn passend aan de rand van het stedelijk gebied. Voorts is volgens de raad geen sprake van een onaanvaardbaar verlies van privacy en uitzicht van [appellant sub 1]. Ook de geluidsoverlast vanwege het zwembad zal voor [appellant sub 1] niet onevenredig toenemen, aldus de raad.

2.3.2. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200902832/1, is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) het streekplan, behoudens indien sprake is van een concrete beleidsbeslissing, niet rechtstreeks bindend meer voor het gemeentebestuur bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. De Afdeling stelt vast dat het streekplan, voor zover hier van belang, geen concrete beleidsbeslissingen bevat. De raad is derhalve niet zonder meer gehouden het beleid van de provincie te volgen. Tevens is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan beleid van het Rijk. Wel dient de raad het beleid van het Rijk en de provincie in de afweging mee te wegen als een bij het plan betrokken belang.

2.3.3. Blijkens de plantoelichting en het verhandelde ter zitting heeft de raad bij zijn afweging betrokken dat de vier woningen zijn voorzien binnen de rode contour zoals deze is vastgesteld in het streekplan. Verder heeft de raad bij zijn afweging betrokken dat de woningen zijn voorzien op een inbreidingslocatie, hetgeen krachtens het provinciale beleid de voorkeur heeft boven een uitbreidingslocatie. Voorts heeft de raad van belang geacht dat er voldoende groene recreatiemogelijkheden zijn aan de rand van het landelijk buitengebied en in het Brediuspark en acht de raad het niet aannemelijk dat de cultuurhistorische waarden van het gebied worden aangetast. Bovendien heeft de raad betekenis gehecht aan de omstandigheid dat met de vier voorziene woningen een overgang wordt gevormd tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Gelet op het voorgaande heeft de raad de Nota Belvedère, het streekplan en de gemeentelijke Ruimtelijke Structuurvisie Woerden 2009-2030 in zoverre afdoende in zijn afweging betrokken.

De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. Niet is gebleken dat de raad de voor- en nadelen van alternatieven onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

2.3.4. Nu de vier woningen zijn voorzien binnen de rode contour die samenvalt met de 's Gravensloot heeft de raad in redelijkheid aan de verplaatsing van de woning van [appellant sub 1], die is gelegen aan de noordelijke zijde van de 's Gravensloot, andere stedenbouwkundige eisen kunnen stellen dan aan de bouw van de vier woningen, die zijn voorzien aan de zuidelijke zijde van de 's Gravensloot.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat zijn woongenot door het plan zal verminderen overweegt de Afdeling dat de afstand van de in het plan voorziene woningbouw tot het perceel van [appellant sub 1] ruim 30 meter bedraagt. Voorts bedraagt de maximale bouwhoogte voor de vier woningen ingevolge artikel 4.2, onder b, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding niet meer dan 9 meter. Tevens zal volgens de zienswijzennota om de vier woningen een aarden wal worden aangelegd. Het zwembad is gelegen achter de in het plan voorziene woningen.

Gezien de afstand van het perceel van [appellant sub 1] tot de in het plan voorziene woningen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woongenot van [appellant sub 1] in de zin van geluidsoverlast en beperking van zijn privacy.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van [appellant sub 1] betreft ziet de Afdeling, gelet op het hiervoor overwogene, geen grond voor de verwachting dat die waarde ernstig zal verminderen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het belang bij de bouw van de vier woningen een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 1].

2.4. In hetgeen [appellant sub 1] en de stichting hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de gronden ten zuiden van de 's Gravensloot strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is geheel en het beroep van de stichting is in zoverre ongegrond.

Zorginstelling 't Oude Landt

2.5. Voorts is het beroep van de stichting gericht tegen het plandeel met de aanduiding "zorgwoning" voor de gronden van zorginstelling 't Oude Landt. Hiertoe voert zij aan dat ten onrechte in afwijking van het bestemmingsplan "Brediuspark" niet de aanduiding (w), maar de aanduiding "zorgwoning" aan de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend. De stichting stelt dat de in het plan opgenomen definitie van zorgwoning afwijkt van de algemeen gebruikelijke definitie en dat het gebruik van de gronden niet in overeenstemming is met de in het plan opgenomen definitie van zorgwoningen. Volgens de stichting zou in het plan moeten worden opgenomen dat bewoners van de zorgwoning in het bezit moeten zijn van een zorgindicatie.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat wat betreft de definitie van de aanduiding "zorgwoning" is aangesloten bij het bestemmingsplan "Brediuspark".

2.5.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de door de stichting gewenste aanduiding aan het plandeel voor de in het geding zijnde gronden had moeten toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de juridische betekenis van een aanduiding op de plankaart afhankelijk is van hetgeen over die aanduiding in de planregels is bepaald.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "zorgwoning" tevens bestemd voor woonruimten, waarin al dan niet zelfstandige woningen zijn opgenomen met gemeenschappelijke voorzieningen. De Afdeling is van oordeel dat dit artikel voldoende concreet en voldoende geobjectiveerd is om duidelijkheid te verschaffen omtrent het gebruik dat is toegelaten op de gronden met de aanduiding "zorgwoning". Dat artikel 3.1, aanhef en onder d, van de planregels niet overeenstemt met de algemeen gangbare definitie van zorgwoningen, wat hiervan ook zij, doet hier niets aan af. Voorts heeft de stichting niet aannemelijk gemaakt dat artikel 3.1, aanhef en onder d, van de planregels niet in overeenstemming is met het feitelijke gebruik van de gronden.

2.6. Voor het overige heeft de stichting verwezen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De stichting heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.7. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de aanduiding "zorgwoning" voor de gronden van zorginstelling 't Oude Landt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

425-683.