Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201007509/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2008 heeft het college een aanvraag van de stichting voor uitbreiding van het Willem de Zwijgercollege afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007509/1/H2.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

stichting Christelijke Scholengemeenschap Willem de Zwijger, gevestigd te Schoonhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 juni 2010 in zaak nr. 09/8097 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Schoonhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft het college een aanvraag van de stichting voor uitbreiding van het Willem de Zwijgercollege afgewezen.

Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, en het college van burgemeester en wethouders van Schoonhoven, vertegenwoordigd door mr. F.J.J.M. Janssen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 76k, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) wordt een voorziening in de huisvesting slechts geweigerd indien:

[…]

b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 76m, eerste lid, onderdeel b,

[…]

d. op andere wijze dan is gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,

[…].

Ingevolge artikel 76m, eerste lid, aanhef en onder b, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling vast met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen.

Ingevolge het tweede lid wordt de regeling zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO (hierna: het Uitvoeringsbesluit) bedraagt de bruto vloeroppervlakte per gelijktijdig aanwezige leerling die een school voor vwo, voor avo en voor vbo inclusief een of meer afdelingen tenminste dient te bevatten, voor de onderscheiden schoolsoorten in vierkante meters:

a. vwo, avo, vbo, leerjaar 1 en 2: 7,0

b. vwo, avo, leerjaar 3 tot en met 6: 5,7

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a en b, geldt tevens een vaste voet van 890 m2 voor een scholengemeenschap en voor een school, niet zijnde een school voor praktijkonderwijs, die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap.

Ingevolge artikel 3.3, aanhef en onder a, van deel A van bijlage I bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Schoonhoven (hierna: de Verordening) blijkt de noodzaak voor uitbreiding uit het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A.

Ingevolge paragraaf 3.1 van deel A van bijlage III bij de Verordening wordt, indien een deel van het gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend.

2.2. Het betoog van de stichting dat de rechtbank ten onrechte niet het standpunt van het college, dat sprake is van een herhaalde aanvraag, buiten beschouwing heeft gelaten wegens strijd met de goede procesorde, faalt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1) vloeit voort dat de bestuursrechter ambtshalve moet treden in de vraag of sprake is van een besluit op een herhaalde aanvraag. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het besluit is genomen op een herhaalde aanvraag. Voorts heeft de rechtbank, anders dan het college ter zitting heeft gesteld, terecht geoordeeld dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Daartoe heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de toename van het aantal leerlingen in beginsel een relevante wijziging is van de omstandigheden, nu het aantal te huisvesten leerlingen essentieel is voor de bepaling van de noodzaak van de gevraagde uitbreiding en dat dit slechts anders is wanneer op voorhand uitgesloten moet worden geacht dat de toename van het aantal leerlingen niet kan leiden tot de noodzaak tot uitbreiding.

2.3. In geschil is of het college bij de berekening van de capaciteit van het bestaande gebouw rekening had moeten houden met de financiële bijdrage die de stichting heeft geleverd aan het tot stand komen van het huidige schoolgebouw. De stichting betoogt in dat kader, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat een deel van het gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, te weten de door haar zelf ingebrachte financiële middelen, zodat dit deel van het gebouw gelet op paragraaf 3.1 van deel A van bijlage III bij de Verordening, voor de berekening van de capaciteit niet tot de capaciteit van het gebouw mocht worden gerekend.

2.3.1. De rechtbank heeft overwogen dat de stichting private middelen heeft ingebracht bij de realisering van het huidige schoolgebouw. Nu het college daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, kan het ter zitting door het college ingenomen standpunt dat de middelen die door de stichting zijn ingebracht geen private financiering betreffen, niet leiden tot het oordeel dat reeds om die reden niet is voldaan aan paragraaf 3.1 van deel A van bijlage III bij de Verordening.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat een redelijke uitleg van paragraaf 3.1 van deel A van bijlage III bij de Verordening met zich brengt, dat een bijdrage aan nieuwbouw die een bevoegd gezag levert om te komen tot een duurdere, op zichzelf niet noodzakelijke voorziening, niet zonder meer leidt tot een naar evenredigheid vast te stellen capaciteitscorrectie. De strekking van paragraaf 3.1 is, dat, indien het bevoegd gezag op eigen financiële kracht extra huisvestingscapaciteit realiseert, het zichzelf niet benadeelt doordat het daardoor niet meer in aanmerking zou komen voor uitbreiding van overheidswege. De in deze paragraaf vervatte bepaling voorkomt dat de private middelen die het bevoegd gezag weet te verwerven tot financieel voordeel voor de gemeentelijke overheid, die verantwoordelijk is voor de bekostiging van de huisvesting, zouden strekken.

2.3.2. Niet in geschil is dat algehele nieuwbouw van het Willem de Zwijgercollege op één locatie de voorkeur van de stichting had voor het oplossen van de indertijd bestaande huisvestingsproblemen van de school die te maken had met dislocatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het verslag van 18 september 1997 en 23 september 1997 blijkt dat het college slechts kon en wilde instemmen met de algehele nieuwbouw op de huidige unilocatie, indien de stichting aan deze duurdere huisvestingsvariant een substantiële bijdrage zou leveren en dat het college zonder deze bijdrage slechts de bouw van een permanente dislocatie en renovatie van het destijds bestaande hoofdgebouw zou hebben bekostigd. De stichting heeft blijkens dat verslag, teneinde alsnog te komen tot algehele nieuwbouw op één locatie, toegezegd ƒ 2.000.000,00 (€ 907.560,43) bij te dragen aan de bouw. Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat indien het college een dislocatie had gerealiseerd zonder financiële bijdrage van haar kant, de gebouwen tezamen een vloeroppervlakte van 6519 m2 zouden hebben gehad, gelijk aan de capaciteit van het bestaande gebouw. Gelet hierop is het duidelijk dat met de bijdrage van de stichting niet meer capaciteit is gerealiseerd, maar dat daarmee de meerkosten van de door haar gewenste duurdere unilocatie zijn gedekt. Derhalve kan niet kan worden staande gehouden dat de stichting met de door haar gegeven financiële bijdrage aan de realisatie van de algehele nieuwbouw van het huidige gebouw een voorziening heeft gefinancierd als bedoeld in paragraaf 3.1.

Het college heeft bij de berekening van de capaciteit van het bestaande gebouw dan ook geen rekening hoeven houden met de financiële bijdrage die de stichting heeft geleverd bij het tot stand komen van het huidige gebouw.

2.4. De stichting betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het ruimtebehoeftemodel zoals dat is neergelegd in de Verordening in strijd is met de grondwettelijke verplichting voor het college te zorgen voor adequate dekkende bekostiging voor huisvesting van het onderwijs.

2.4.1. De grondwettelijke zorgplicht met betrekking tot een adequate dekkende bekostiging voor onderwijshuisvesting is onder meer uitgewerkt in artikel 76m, tweede lid, van de WVO en in het krachtens artikel 76c, tweede lid, van de WVO vastgestelde Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO (hierna: het Uitvoeringsbesluit). Het Uitvoeringsbesluit voorziet binnen de reikwijdte van de toepasselijke bepalingen van de WVO in criteria voor adequate dekkende bekostiging voor huisvesting van het onderwijs. In een geval als hier aan de orde kan de Verordening alleen dan in strijd zijn met de verplichting te zorgen voor adequate dekkende bekostiging voor huisvesting van het onderwijs, indien deze in strijd is met de in de WVO opgenomen normen en de uitwerking daarvan in het Uitvoeringsbesluit.

In de Verordening is bepaald dat eerst sprake is van een noodzaak voor uitbreiding, wanneer het aantal leerlingen de drempel van tien procent van de aanwezige huisvestingscapaciteit overschrijdt. De drempel voorkomt dat reeds bij een kleine overschrijding van de huisvestingscapaciteit een uitbreiding dient plaats te vinden waardoor een overschot aan ruimte kan ontstaan. Toepassing van deze drempel leidt er niet toe dat de gebouwen van de stichting niet voldoen aan de minimum-oppervlaktenormen zoals die zijn neergelegd in het Uitvoeringsbesluit. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat toepassing van de drempel in strijd is met artikel 76m, tweede lid, van de WVO of andere in de WVO neergelegde maatstaven. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat toepassing van deze drempel in strijd is met de grondwettelijke plicht van het college zorg te dragen voor adequate huisvesting.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

362.