Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201008076/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor de buitenberging op het perceel [locatie] te Weert en voor het gebruik daarvan als stallingruimte voor een aanhangwagen en voor opslag van bevestigingsmaterialen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008076/1/H1.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te Weert,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 juli 2010 in zaak nr. 10/157 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor de buitenberging op het perceel [locatie] te Weert en voor het gebruik daarvan als stallingruimte voor een aanhangwagen en voor opslag van bevestigingsmaterialen.

Bij uitspraak van 9 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2011, waar [appellanten, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D.W. van Aken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De ingang van de buitenberging is gesitueerd aan de Tinnengietersweg, tegenover het perceel van [appellant]. Op het in geding zijnde perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Weert-Noord, Graswinkel en 1e partiële herziening bedrijventerreinen Oost en West" de bestemming "Wonen". Niet in geschil is dat het gebruik van de buitenberging in strijd is met deze bestemming en dat de buitenberging zonder bouwvergunning is opgericht. De bouwvergunning is aangevraagd ter legalisering.

2.2. Ingevolge artikel 4.1. van de planvoorschriften zijn de gronden, die op de plankaart zijn aangewezen voor "Wonen" bestemd voor, voor zover van belang, wonen met de daarbij behorende tuinen en erven.

Ingevolge artikel 4.4.1., aanhef en onder c, wordt onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 van de Wro in elk geval verstaan het gebruik van gronden en opstallen voor de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf, met uitzondering van de in de doeleindenomschrijving omschreven vormen van bedrijfsmatig gebruik en met uitzondering van het gebruik van hoofd- en bijgebouwen voor een huisgebonden beroep tot een oppervlakte van maximaal 50 m2.

Ingevolge artikel 4.6.4. zijn burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4.4.1, onder c, tot een grotere oppervlakte dan 50 m2, of als bedrijfsruimte voor een aan huis gebonden bedrijf of een ambachtelijk bedrijf in een deel van een woning of de daarbij behorende bijgebouwen, mits, voor zover thans van belang:

a. de daar gepleegde activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie;

b. het gebruik naar de aard met de woonfunctie in overeenstemming is;

c. de woonfunctie op het betrokken perceel niet in betekenende mate wordt aangetast;

d. (…);

e. geen gebruik plaatsvindt dat meldings- of vergunningsplichtig is in het kader van de Wet milieubeheer, (…);

f. (…);

g. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen, noodzakelijk zijn en die niet binnen het perceelsgedeelte, dat binnen het bestemmingsvlak gelegen is, gerealiseerd kunnen worden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij niet bevoegd was te oordelen over het besluit voor zover daarbij ontheffing is verleend voor het gebruik van de buitenberging voor opslag van bevestigingsmaterialen, aangezien voor dat gebruik geen ontheffing is gevraagd.

2.3.1. In de op 3 november 2008 gedateerde bouwaanvraag is vermeld dat het bouwplan het plaatsen van een buitenberging betreft. Volgens de toelichting op het aanvraagformulier wordt de buitenberging gebruikt voor stalling van één aanhangwagen, die zowel bedrijfsmatig als voor privédoeleinden wordt gebruikt. Het overige gedeelte van de buitenberging wordt voor privédoeleinden gebruikt, aldus de toelichting. Bij een controle ter plaatse als gevolg van ingediende zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit heeft het college geconstateerd dat in de berging tevens bedrijfsmatige opslag van bevestigingsmaterialen plaatsvindt.

De omstandigheid dat in de aanvraag niet uitdrukkelijk is vermeld dat ook opslag van bevestigingsmaterialen plaatsvindt, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht dit onderdeel van het ontheffingsbesluit in haar oordeel te betrekken. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het gebruik ten behoeve van de bedrijfsmatige opslag van bevestigingsmaterialen mede in de aanvraag ter legalisering besloten moet worden geacht.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet aan alle in artikel 4.6.4. van de planvoorschriften gestelde voorwaarden voor het verlenen van ontheffing wordt voldaan. Hij stelt dat de in de buitenberging gepleegde activiteiten niet ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en dat het gebruik naar zijn aard niet met de woonfunctie in overeenstemming is. Hij stelt dat de rechtbank bij haar oordeel op dit punt ten onrechte is afgegaan op hetgeen [vergunninghouder] ter zitting heeft verklaard, onder meer omdat [vergunninghouder] in de beroepsprocedure geen procespartij was. Voorts is sprake van meldingsplichtige activiteiten en vergt het gebruik extra verkeersmaatregelen, aldus [appellant].

2.4.1. Blijkens de stukken heeft [vergunninghouder] bij brief van 9 februari 2010 desgevraagd aan de rechtbank meegedeeld als belanghebbende aan de beroepsprocedure deel te nemen. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

In het door [appellant] aangevoerde is voorts geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank haar oordeel, dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de buitenberging ondergeschikt is aan de woonfunctie en naar de aard met de woonfunctie in overeenstemming is, niet mede heeft kunnen baseren op het door [vergunninghouder] ter zitting verklaarde aangaande het gebruik. Dat wat ter zitting door [vergunninghouder] is verklaard niet overeenstemt met de feiten, is niet gebleken. Hierbij wordt in aanmerking genomen de door het college naar aanleiding van de ingediende zienswijzen ter plaatse verrichte controle, waarbij is geconstateerd dat het feitelijk gebruik overeenstemt met het gebruik zoals aangegeven in de bouwaanvraag en dat tevens opslag van bevestigingsmaterialen plaatsvindt. De op 16 september 2010 verrichte controle heeft geen ander beeld laten zien.

Gelet op de stukken en het ter zitting verklaarde heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat geen sprake is van meldingsplichtige activiteiten, noch van activiteiten die een zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn en dat, voor zover toch sprake zou zijn van activiteiten waardoor niet meer voldaan zou worden aan de in artikel 4.6.4. van de planvoorschriften vermelde voorwaarden, dit een handhavingskwestie betreft die in onderhavige procedure niet aan de orde is.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

392.