Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201006566/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een handel in bestratingsmaterialen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 mei 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/5599
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6685
JAF 2011/17 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2011/535
JOM 2011/664
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006566/1/M2.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats], gemeente Cuijk,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een handel in bestratingsmaterialen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 mei 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2011, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en [deskundige], en het college, vertegenwoordigd door P.P.G. Wintjes en B.F.J. van der Aa, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Bij brief van 24 januari 2011 heeft het college nadere informatie verstrekt. Bij brieven van onderscheidenlijk 2 en 4 februari 2011 hebben [vergunninghouder] en [appellant] hun reactie daarop gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft eerst ter zitting betoogd dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij geen processueel belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Dit is volgens het college het geval, omdat ten gevolge van een wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en het Besluit omgevingsrecht sinds 1 januari 2011 geen vergunning meer is vereist voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is verleend.

2.1.1. De Afdeling heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek aan te houden en het college verzocht zijn standpunt schriftelijk uiteen te zetten.

2.1.2. Op 1 januari 2011 is het Besluit van 15 november 2010 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Stb. 2010, 781) in werking getreden. Hierbij is onder meer het Besluit omgevingsrecht gewijzigd.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht, voor zover hier van belang, worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel C.

Ingevolge categorie 28.10, aanhef en onder 25 en onder 27 van bijlage I, onderdeel C, worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met de volgende uitzonderingen:

25. het opslaan van sier- en gebruiksvoorwerpen en tweedehands bouwmaterialen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen met een maximale opslagoppervlakte van 6.000 m², het voor producthergebruik geschikt maken hiervan voor zover de oppervlakte voor reparatie niet groter is dan 1.000 m² en het ten behoeve van materiaalhergebruik scheiden, strippen, mechanisch verkleinen van ten hoogste 50 ton per dag sier- en gebruiksvoorwerpen voor zover die uitsluitend bestaan uit een combinatie van metaal, hout, kunststof, textiel, papier of karton en die geen elektronica bevatten.

27. het opslaan van ten hoogste 10.000 m3 grond en baggerspecie die voldoet aan de eisen van de artikelen 29, 59 of 60 van het Besluit bodemkwaliteit.

2.1.3. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor de inrichting zoals aangevraagd, behoudens het knippen van stenen. Het betreft een inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen in de zin van categorie 28.10 van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht.

De aanvraag om de bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op de opslag van nieuwe en tweedehands bestratingsmaterialen, alsmede de handel daarin. Volgens de aanvraag wordt een deel van de bestratingsmaterialen bewerkt, waaronder stapelen van stenen met de hand en knippen van stenen wordt verstaan. Volgens de "omschrijving procedure bestratingsmaterialen" en de tekening, beide behorend bij de aanvraag en onderdeel uitmakend van de bij het bestreden besluit verleende vergunning, worden tweedehands bestratingsmaterialen in een afgeschermde sleufsilo gestort. Het materiaal wordt vervolgens met de hand gesorteerd en geschikt gemaakt om te worden opgeslagen op pallets met diverse bestratingsmaterialen, zoals aangegeven op de tekening.

2.1.4. Volgens de brief van het college van 24 januari 2011, en zoals door [vergunninghouder] bij brief van 2 februari 2011 is bevestigd, vindt het in de aanvraag vermelde sorteren van tweedehands bestratingsmaterialen plaats in de sleufsilo, die overeenkomt met de op de tekening aangegeven in het midden van de inrichting gelegen opslag van stenen en zand. De Afdeling acht dit een juiste uitleg van de aanvraag. De oppervlakte van de in het midden van de inrichting gelegen opslag van stenen en zand is circa 465 m2 en dus kleiner dan de in categorie 28.10, aanhef en onder 25 van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht vermelde oppervlakte van 1.000 m² voor het voor producthergebruik geschikt maken van tweedehands bouwmaterialen. Uit de tekening kan verder worden afgeleid dat de totale opslagoppervlakte van stenen, zand, grind en split onder de maximale opslagoppervlakte van 6.000 m² blijft, zodat de opslagoppervlakte van tweedehands bouwmaterialen ook kleiner zal zijn dan 6.000 m2. Daarnaast kan uit de aanvraag en tekening worden afgeleid dat de vergunde hoeveelheid zand niet groter is dan 10.000 m3. Gelet op het vorenstaande valt de vergunde inrichting onder de in categorie 28.10, aanhef en onder 25 en 27 van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht opgenomen uitzonderingen, op grond waarvan voormelde inrichting niet vergunningplichtig is. Dit heeft tot gevolg dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning op 1 januari 2011 van rechtswege is vervallen.

Dat de feitelijke opslagoppervlakte binnen de inrichting - zoals [appellant] stelt - groter is dan de vergunde opslagoppervlakte, maakt niet dat de vergunde inrichting niet onder de genoemde uitzonderingen valt. In het geval de feitelijke opslagoppervlakte de grenzen van de uitzondering in categorie 28.10, aanhef en onder 25 van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht overschrijdt, kan [appellant] het college verzoeken ter zake handhavend op te treden.

2.1.5. Nu het beroep van [appellant] zich richt tegen een van rechtswege vervallen vergunning, heeft hij in zoverre geen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Nu ook anderszins niet is gebleken dat [appellant] nog processueel belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

407-628.