Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201007073/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het college het verzoek van [appellant] om een uitweg te mogen realiseren aan de [locatie] te Zandvoort afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/236 met annotatie van A.T. Marseille
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007073/1/H3.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 juni 2010 in zaak

nr. 09-5078 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het college het verzoek van [appellant] om een uitweg te mogen realiseren aan de [locatie] te Zandvoort afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en het besluit van 10 augustus 2007 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 8 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Schouten, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.W.B. van Straaten en mr. R.J. Baars, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Zandvoort 2005 (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge het derde lid wordt een vergunning geweigerd indien strijd met het bestemmingsplan ontstaat.

Ingevolge het vierde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig gebruik van de weg;

c. het doelmatig gebruik van de weg;

d. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

e. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Ingevolge het bestemmingsplan "Boulevard Noord" rust op de gronden waar [appellant] zijn auto wenst te parkeren de bestemming "Tuin".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen en open erven;

b. parkeren op eigen erf;

c. ter plaatse van de aanduiding "terras" zijn de gronden tevens bestemd voor een terras.

Ingevolge artikel 8, vierde lid, is parkeren op eigen erf uitsluitend toegestaan achter de voorgevel van de woning of het denkbeeldig verlengde daarvan, behoudens op een hiervoor gelegen oprit naar de op hetzelfde perceel achter de voorgevel aanwezige parkeergelegenheid.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen uitwegvergunning en geen vrijstelling heeft verleend van het bestemmingsplan. Hij voert aan dat het college de weigering onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de belangen gelegen in de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van de weg zich niet tegen verwezenlijking van de uitweg verzetten. Voorts bestrijdt hij het oordeel van de rechtbank dat de afwijzing van zijn aanvraag om een uitwegvergunning niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat destijds wel zes uitwegvergunningen voor percelen op de Van Speijkstraat zijn verleend en dat het college niet heeft gemotiveerd waarom destijds wel en nu geen uitwegvergunning kan worden verleend. Bovendien kan en moet het college handhavend optreden tegen het strijdige gebruik op die zes percelen, bij gebreke waarvan strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel bestaat.

2.2.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft ter plaatse geconstateerd dat de Van Speijkstraat een drukke straat is waar fietsers gebruik van maken, het zicht in verband met geparkeerde auto's zeer beperkt is en waar het verkeer in passeervakken op elkaar moet wachten om elkaar te kunnen passeren. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van die constatering van de rechtbank te twijfelen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een uitwegvergunning te verlenen op grond van de in de APV genoemde belangen van de verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de weg. Daarbij heeft de rechtbank terecht de vraag of aan beide zijden van de straat een 30 kilometer per uur regime geldt, niet relevant geacht en is de rechtbank terecht aan de discussie over het aantal parkeerplaatsen dat zou wegvallen en de lengte van de parkeervakken ter plaatse niet meer toegekomen. Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college onder deze omstandigheden in redelijkheid kon weigeren vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan.

Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel heeft het college aangevoerd dat in de door [appellant] aangehaalde gevallen nog geen parkeerbeleid bestond, dat de verkeerssituatie in de Van Speijkstraat verschilde van de huidige situatie en dat een maximum van zes uitwegen in de Van Speijkstraat toen blijkbaar acceptabel is geweest. Voorts is, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, in de door [appellant] aangehaalde gevallen geen beoordeling gemaakt ten aanzien van het verlenen van vrijstelling. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat bij een vrijstellingsprocedure meer aspecten in de beoordeling worden betrokken dat enkel de weigeringsgronden genoemd in de APV. Op grond van het voorgaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de gevallen niet gelijk zijn.

Ten aanzien van het betoog dat het college niet handhavend optreedt tegen het gestelde strijdige gebruik op de andere percelen stelt de Afdeling vast dat deze procedure uitsluitend de weigering van het verzoek van [appellant] om een vergunning betreft en niet het al dan niet handhavend optreden van het college inzake andere uitwegen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

280-671.