Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201008424/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] een aanlegvergunning te verlenen voor het aanleggen van drie voerplaten op het perceel [locatie] te Haren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008424/1/H1.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haren, gemeente Oss,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2010 in zaak nr. 09/1770 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] een aanlegvergunning te verlenen voor het aanleggen van drie voerplaten op het perceel [locatie] te Haren.

Bij besluit van 10 april 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2010, verzonden op 16 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 september 2010.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, en ir. G.W.F.M. Paumen, tuin- en landschapsarchitect, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.A.M. de Wit, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de voerplaten deel uitmaken van de normale agrarische bedrijfsvoering, zodat voor het aanleggen daarvan geen aanlegvergunning is vereist.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" rust op de in geding zijnde gronden de bestemming "Open agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 3.1. van de planvoorschriften zijn de als zodanig op de kaart aangegeven gronden onder meer bestemd voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening en behoud, herstel en versterking van, onder andere, landschappelijke waarden, een en ander met bijbehorende voorzieningen en met inachtneming van de onder 3.2. opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

Ingevolge artikel 3.2.4., aanhef en onder f, houdt dit in dat de landschappelijk waardevolle openheid zoveel mogelijk wordt gehandhaafd.

Ingevolge artikel 3.4.1., aanhef en onder a, is het verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning wegen en paden aan te leggen of andere oppervlakteverhardingen of halfverhardingen aan te brengen, met uitzondering van bedrijfspaden van maximaal 200 m2.

Ingevolge artikel 3.4.2., aanhef en onder d, voor zover thans van belang, geldt het in artikel 3.4.1., vervatte verbod niet voor de werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en de normale agrarische bedrijfsvoering betreffen.

2.3. Uit de planvoorschriften volgt dat het verbod zonder aanlegvergunning oppervlakteverhardingen aan te leggen uitzondering vindt wanneer deze worden aangelegd ten behoeve van de normale agrarische bedrijfsuitoefening. Het agrarisch bedrijf van [appellant] betreft een rundveehouderij. Anders dan de rechtbank heeft overwogen dient onder de normale agrarische bedrijfsvoering van een rundveehouderij mede te worden begrepen het opslaan van voer ten behoeve van het eigen rundvee. Ook in het interne memo van de gemeente van 3 januari 2008 is als gangbaar aangemerkt dat een agrarisch bedrijf beschikt over enkele voerplaten. Nu aannemelijk is dat de in geding zijnde voerplaten noodzakelijk zijn voor het op verantwoorde wijze opslaan van het voer en deze de normale agrarische bedrijfsvoering betreffen, als bedoeld in artikel 3.4.2., aanhef en onder d, van de planvoorschriften, is voor de aanleg daarvan geen aanlegvergunning vereist. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt mitsdien.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De overigens aangevoerde beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 april 2009 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3.4.2., aanhef en onder d, van de planvoorschriften voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 29 juli 2008 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2010 in zaak nr. 09/1770;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 10 april 2009, kenmerk PBWM/A 0055;

V. herroept het besluit van 29 juli 2008, kenmerk A 0055;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: duizend tweehonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oss aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

392.