Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201007074/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing (lees: vrijstelling) en bouwvergunning verleend voor het veranderen van het woongedeelte op de begane grond in een caféruimte en toevoeging van deze ruimte aan de bestaande caféruimte in het pand op het perceel [locatie] te Reuver.

Wetsverwijzingen
Bouwbesluit 2003
Bouwbesluit 2003 3.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/536
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007074/1/H1.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Reuver, gemeente Beesel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 juni 2010 in zaak nr. 10/62 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beesel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing (lees: vrijstelling) en bouwvergunning verleend voor het veranderen van het woongedeelte op de begane grond in een caféruimte en toevoeging van deze ruimte aan de bestaande caféruimte in het pand op het perceel [locatie] te Reuver.

Bij besluit van 7 december 2009 heeft het college beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar. Bij dit besluit heeft het college de verleende vrijstelling en bouwvergunning gehandhaafd.

Bij uitspraak van 17 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2011, waar [appellanten], alsmede het college, vertegenwoordigd door mr. A.G.J. van Loon, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum Reuver" rust op het perceel de bestemming "Centrumdoeleinden C".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de als zodanig bestemde gronden bestemd voor horecadoeleinden.

Ingevolge het tweede lid, onder c, zijn horecadoeleinden uitsluitend toegestaan ter plaatse en in de omvang van de op het tijdstip van ter visie legging van dit ontwerpplan bestaande horecabedrijven. Nieuwvestiging en/of uitbreiding is uitsluitend door middel van vrijstelling toegestaan.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2, onder c, ten aanzien van horecavestigingen teneinde nieuwe vestigingen en/of uitbreiding van bestaande horecavestigingen toe te laten op de begane grond en/of de eerste verdieping, mits het betreft horecavestigingen in de categorie "Horecabedrijf I".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 26, wordt in de planvoorschriften onder "Horecabedrijf I" verstaan: een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 27, wordt onder "Horecabedrijf II" verstaan:

- elke voor het publiek, al dan niet tegen betaling toegankelijke lokaliteit, die mede is ingericht of wordt gebruikt voor het dansen, zoals discotheken en dancings, waarin al dan niet dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;

- inrichtingen waarin een kans- of behendigheidsspel wordt uitgeoefend.

2.2. Het bouwplan is in strijd met artikel 5, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften. Om niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens het vijfde lid, aanhef en onder a, vrijstelling verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om krachtens artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen. Hiertoe voert hij aan dat in het café twee gokautomaten, een dartboard en een tafelvoetbalspel zijn geplaatst, zodat het moet worden aangemerkt als een "Horecabedrijf II" als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 27, van de planvoorschriften.

2.3.1. Uit de systematiek van de planvoorschriften kan, anders dan [appellant] betoogt, niet worden afgeleid dat een inrichting moet worden aangemerkt als "Horecabedrijf II" als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 27, van de planvoorschriften, zodra hierin een kans- of behendigheidsspel wordt uitgeoefend, in welke vorm en omvang dan ook. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat een inrichting eerst als "Horecabedrijf II" kan worden aangemerkt indien het uitoefenen van een kans- of behendigheidsspel een wezenlijk kenmerk van de bedrijfsvoering vormt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit niet het geval is bij de aanwezigheid van twee gokautomaten. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de in deze bepaling gebezigde term behendigheidsspel, in samenhang bezien met de term kansspel, niet ziet op gezelschapspellen als een tafelvoetbalspel of een dartspel. Daarbij wordt in aanmerking genomen het door het college in zijn besluit op bezwaar alsmede ter zitting ingenomen standpunt dat onder "Horecabedrijf II" als bedoeld in deze bepaling onder meer casino's en automatenhallen moet worden verstaan en dat het de bedoeling van de planwetgever is dit soort bedrijven uit het centrumgebied te weren. Dat in casino's en automatenhallen bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, laat onverlet dat bij dergelijke inrichtingen het accent ligt op het uitoefenen van een kans- of behendigheidsspel. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bevoegd was om krachtens artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de eisen die ingevolge artikel 3.18 van het Bouwbesluit 2003 gelden voor de bouw van een gebouw met een bijeenkomstfunctie met geluidbelastende activiteiten. Hiertoe voert hij aan dat niet kan worden volstaan met de volgens de bouwtekening verrichte werkzaamheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar het akoestisch onderzoek van adviesburo Grouls van 24 juli 2008 (hierna: het akoestisch onderzoek).

2.4.1. Ingevolge artikel 3.18, eerste lid, van het Bouwbesluit, voor zover hier van belang, is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op een ander perceel gelegen, aangrenzende gebruiksfunctie, niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is de volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op een ander perceel gelegen, aangrenzende gebruiksfunctie, niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.

2.4.2. Aan het besluit op bezwaar van 7 december 2009 zijn geen concrete, objectieve gegevens ten grondslag gelegd waaruit volgt dat aan de in het Bouwbesluit opgenomen grenswaarden voor zowel lucht- als contactgeluid wordt voldaan. Onduidelijk is derhalve op grond waarvan het college het aannemelijk heeft geacht dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 3.18 van het Bouwbesluit. De enkele omstandigheid dat volgens de aanvraag om bouwvergunning tegen de gevelmuur van het café die grenst aan het pand van [appellant] glaswol wordt aangebracht tussen palen en deze wordt afgetimmerd met steigerplanken, is daarvoor onvoldoende. Weliswaar betreft het door [appellant] overgelegde akoestisch onderzoek de resultaten van metingen en berekeningen op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) ter bepaling van het toelaatbare zendniveau en maatregelen die noodzakelijk zijn ter voorkoming van geluidhinder, dit neemt niet weg dat dit onderzoek aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de met dit bouwplan aangevraagde isolatie ontoereikend is om de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzende pand van [appellant] te waarborgen. Het besluit op bezwaar van 7 december 2009 is in zoverre onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden omdat het bouwplan hun leefomgeving en woongenot onaanvaardbaar aantast. Hiertoe voert hij onder verwijzing naar eerder vermeld akoestisch onderzoek aan dat het bouwplan onaanvaardbare geluidhinder meebrengt.

2.5.1. De te verwachten geluidsoverlast vanwege de uitbreiding van het café maakt deel uit van de belangenafweging door het college bij het verlenen van vrijstelling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 mei 2008 in zaak nr. 200708226/1), dient de vraag of het bouwplan voldoet aan de krachtens het Besluit te stellen geluidnormen weliswaar te worden bezien in een procedure krachtens de Wet milieubeheer, maar dit neemt niet weg dat thans aan de orde is de vraag of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de vrijstelling niet kan worden verleend, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Besluit opgenomen geluidsnormen. Gelet hierop heeft het college zich ter zitting ten onrechte op het standpunt gesteld dat het akoestisch onderzoek, dat dateert van vóór het nemen van de besluiten van 17 augustus en 7 december 2009, niet bij de belangenafweging betrokken behoefde te worden. Zoals hiervoor onder 2.4.2 is overwogen, biedt het akoestisch onderzoek aanknopingspunten voor het oordeel dat de bij het bouwplan aangevraagde isolatie ontoereikend kan zijn om de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzende pand van [appellant] voldoende te waarborgen. De volgens de bouwtekening genomen maatregelen komen niet overeen met de voorzieningen die volgens het akoestisch onderzoek genomen dienen te worden om de geluidgevolgen van de uitbreiding van de caféruimte te beperken. Dat aan de in het Besluit opgenomen geluidnormen kan worden voldaan, dient derhalve te worden betwijfeld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan het college stelt, geen grond bestaat voor het oordeel dat de te verwachten geluidsoverlast beperkt zal zijn tot geluid afkomstig van slechts een vergader- en dartruimte met achtergrondmuziek. In de aanvraag om bouwvergunning noch in het besluit op bezwaar van 7 december 2009 heeft het college een beperking opgenomen ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de vergunde uitbreiding van het café.

Onder deze omstandigheden kon het college met zijn in het besluit op bezwaar ingenomen standpunt dat van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzende pand van [appellant] niet is gebleken, omdat op grond van de overgelegde bouwtekeningen voldoende aannemelijk is dat de geluidwering aan het Bouwbesluit voldoet en voorts een uitbreiding van een bestaand café in het centrum van Reuver met een diversiteit aan functies geen uitzonderlijke omstandigheid oplevert die een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer betekent, niet volstaan. Het college heeft in zijn besluit op bezwaar van 7 december 2009 derhalve onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan niet zodanige inbreuk maakt op de belangen van [appellant] dat de vrijstelling hierom geweigerd moest worden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgronden met betrekking tot het Bouwbesluit niet kunnen slagen en dat niet kan worden gezegd dat het besluit om de vrijstelling te verlenen onredelijk is. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 december 2009 in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 juni 2010 in zaak nr. 10/62, voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgronden met betrekking tot het Bouwbesluit niet kunnen slagen en dat niet kan worden gezegd dat het besluit om de vrijstelling te verlenen onredelijk is;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beesel van 7 december 2009, BV 2009-28, voor zover het college de bezwaren gericht tegen het standpunt dat het bouwplan in overeenstemming is met het Bouwbesluit en de belangenafweging ongegrond heeft verklaard;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beesel tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.425,32 (zegge: eenduizend vierhonderdvijfentwintig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 1.311,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Beesel aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

374-593.