Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201000583/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het bij besluit van 31 maart 2009 door de raad van de gemeente Rheden vastgestelde bestemmingsplan "Rheden-Oost".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000583/1/R2.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Rheden,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het bij besluit van 31 maart 2009 door de raad van de gemeente Rheden vastgestelde bestemmingsplan "Rheden-Oost".

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant] en [persoon A], en bijgestaan door mr. J.M. Smits, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door C. ter Braak en I. Vos, beiden werkzaam bij de gemeente, en [uitvaartonderneming], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J. Molenaar, advocaat te Arnhem, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het oostelijke deel van de kern Rheden.

2.3. [appellant] heeft mede namens [persoon A] en [persoon B] beroep ingesteld. [persoon A] en [persoon B] hebben beiden geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht.

2.4. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Het beroep is niet gericht tegen een bij de vaststelling van het bestemmingsplan gewijzigd onderdeel en niet is gebleken dat [persoon A] en [persoon B] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht.

Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld namens [persoon A] en [persoon B], is dan ook niet-ontvankelijk.

2.5. Het beroep van [appellant] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Wonen"en de aanduiding "inrichting bedoeld in artikel 2.4 uitgezonderd winkels en daghoreca" wat betreft het perceel Arnhemsestraatweg 135 (hierna: het plandeel Arnhemsestraatweg). [appellant] vreest aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Daartoe voert hij aan dat het plan ten onrechte meer bedrijvigheid mogelijk maakt dan onder het vorige planologische regime was toegestaan. In dit verband wijst hij op de concrete plannen voor het oprichten van een uitvaartcentrum op het plandeel Arnhemsestraatweg. Volgens hem zal het bestaande woonhuis op het plandeel Arnhemsestraatweg ten onrechte alleen als bedrijfsruimte worden gebruikt. Ook vreest hij aantasting van het aanwezige groen door de aanleg van parkeerplaatsen, wat volgens hem niet verenigbaar is met het gemeentelijke beleid gericht op bescherming van de stedenbouwkundig waardevolle, parkachtige omgeving. Verder leidt het plan tot parkeer- en verkeersproblemen. Ten slotte heeft het plan volgens [appellant] een nadelige invloed heeft op de waarde van zijn woning.

2.6. Het college stelt zich op het standpunt dat weliswaar sprake is van een verruiming van de bestemmingsregeling voor het plandeel Arnhemsestraatweg ten opzichte van het vorige planologische regime, maar volgens het college biedt het plan voldoende waarborgen ter bescherming van het woon- en leefklimaat en de stedenbouwkundige waarden van het plandeel. Het college heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

2.7. [appellant] woont op het perceel [loicatie] te Rheden. In het bestemmingsplan is aan het plandeel Arnhemsestraatweg 135 de bestemming "Wonen" met de aanduiding "inrichting bedoeld in artikel 2.4 uitgezonderd winkels en daghoreca" toegekend. Dit perceel ligt op de hoek van de Arnhemsestraatweg en de Groenestraat.

2.8. Niet in geschil is dat het onderhavige plan meer bedrijvigheid toestaat dan het vorige plan. De Afdeling stelt echter voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Gelet hierop kan het betoog van [appellant] en anderen dat het onderhavige plan ten onrechte meer bedrijvigheid mogelijk maakt dan het vorige planologische regime niet slagen.

2.9. Ook het betoog van [appellant] dat de woning op het plandeel Arnhemsestraatweg ten onrechte in zijn geheel in gebruik zal worden genomen als bedrijfsruimte treft geen doel, nu artikel 2.1, onder A en onder 2 sub c, van de planvoorschriften voorschrijft dat de inrichting zoals bedoeld in artikel 2.4., behoudens kantoren, alleen op de begane grond mag worden gevoerd. Het college heeft zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als de woning toch in geheel als bedrijfsruimte wordt gebruikt, [appellant] zich op grond van eerstgenoemde bepaling tot het gemeentebestuur kan wenden met een verzoek om handhaving van dit planvoorschrift.

2.10. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig is dat het college bij de afweging van de belangen hieraan overwegende betekenis had moeten toekennen.

2.11. Voorts begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant] dat door de aanleg van parkeerplaatsen het aanwezige groen wordt aangetast aldus dat het plan onvoldoende bescherming biedt aan de stedenbouwkundige waarden van het plandeel Arnhemsestraatweg.

Het plandeel Arnhemsestraatweg is op de bij het plan behorende waardenkaart mede aangeduid als "stedenbouwkundig waardevolle zone". In artikel 1.3 van de planvoorschriften is bepaald dat voor deze gronden wordt gestreefd naar een behoud en mogelijke versterking of verbetering van de ruimtelijke karakteristiek en dat voor de dorpsentree Arnhemsestraatweg-Groenestraat in het bijzonder wordt gestreefd naar het accentueren van de entreelocatie door een karakteristiek pand en/of terreinindeling met groen, waarbij het representatieve karakter zich bij uitstek leent voor sterk gecultiveerde en decoratieve groenelementen. Het college van burgemeester en wethouders moet ingevolge artikel 1.3, onder D en onder 3, van de planvoorschriften het in artikel 1.3 van de planvoorschriften gestelde betrekken bij de beoordeling van aanvragen om bouwvergunning en aanlegvergunning, waaronder thans moet worden verstaan een omgevingsvergunning voor bouwen, onderscheidenlijk het uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Uit de artikelen 1.3 en 1.7 van de planvoorschriften, in samenhang gelezen, vloeit niet voort dat voor de aanleg van parkeerplaatsen op het plandeel Arnhemsestraatweg een omgevingsvergunning nodig is. Anders dan waar het college en de raad van uitgaan, verzet het plan zich er gelet op het bepaalde in artikel 2.1, onder A en onder 1, sub a, van de planvoorschriften niet tegen dat het gehele plandeel als parkeerterrein wordt ingericht. Nu in het plan ook anderszins geen maximum is bepaald voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen op het plandeel Arnhemsestraatweg is niet uitgesloten dat eerder genoemde stedenbouwkundige waarden van het plandeel Arnhemsestraatweg die volgens de raad bescherming behoeven worden aangetast.

2.11.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "inrichting bedoeld in artikel 2.4 uitgezonderd winkels en daghoreca" wat betreft het perceel Arnhemsestraatweg 135 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant] en anderen is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Gelet hierop wordt aan het betoog voor het overige niet toegekomen. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb, zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.12. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van [appellant] en anderen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk voor zover dat is ingesteld namens [persoon A] en [persoon B];

II. verklaart het beroep van [appellant] en anderen voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 27 november 2009, kenmerk 2009-008077, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen"en de aanduiding "inrichting bedoeld in artikel 2.4 uitgezonderd winkels en daghoreca" wat betreft het perceel Arnhemsestraatweg 135;

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III. vermelde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

432.