Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
200902380/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2009, kenmerk DRZO/2008-007, heeft de minister het gebied Noordzeekustzone aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 7 april 2005, kenmerk DRR&R/2005/165, tot aanwijzing van het gebied Noordzeekustzone als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: de Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Recreatie en toerisme 2012/171
M en R 2011/118
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4699
Module Ruimtelijke ordening 2011/5593 met annotatie van R. Sieben
BR 2011/188 met annotatie van H.E. Woldendorp
JB 2011/104
JM 2011/71 met annotatie van Zijlmans
JOM 2011/347
JOM 2011/397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902380/1/R2.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Productschap Vis, gevestigd te Rijswijk, en andere (hierna in enkelvoud: Productschap Vis),

2. de stichting Stichting de Noordzee, gevestigd te Utrecht,

3. de stichting Stichting de Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

4. de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels (hierna: de Vogelbescherming), gevestigd te Zeist,

appellanten,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2009, kenmerk DRZO/2008-007, heeft de minister het gebied Noordzeekustzone aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: de Habitatrichtlijn), en het besluit van 7 april 2005, kenmerk DRR&R/2005/165, tot aanwijzing van het gebied Noordzeekustzone als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: de Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben Productschap Vis bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2009, de Stichting Noordzee bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2009, de Faunabescherming bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2009, en de Vogelbescherming bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2009, beroep ingesteld. De Stichting Noordzee heeft de gronden van haar beroep aangevuld bij brief van 7 mei 2009. De Vogelbescherming heeft de gronden van haar beroep aangevuld bij brief van 8 mei 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Noordzee en de Vogelbescherming hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken 200902378/1/R2, 200902381/1/R2, 200902398/1/R2, 200902443/1/R2, 200902464/1/R2 en 200902466/1/R2 ter zitting behandeld op 30 november 2010 en 1 december 2010, waar Productschap Vis, vertegenwoordigd door mr. P.C.H. Schooten, advocaat te Rolde, de Stichting Noordzee, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Haarlem, de Faunabescherming, vertegenwoordigd door A.P. de Jong, werkzaam bij de Faunabescherming, de Vogelbescherming, vertegenwoordigd door mr. J. Veltman, advocaat te Amersfoort, J. van der Winden, ir. H.H. Schoten en N.L.N.P. van Steen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is de vereniging Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee, vertegenwoordigd door A. Wouda, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen over het ontwerp naar voren worden gebracht.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan tegen een besluit geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij over het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.1. De Faunabescherming heeft geen zienswijze over het ontwerp-aanwijzingsbesluit naar voren gebracht. Voorts heeft de Faunabescherming niet aannemelijk gemaakt dat haar van het niet indienen van een zienswijze redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Voor zover de Faunabescherming betoogt dat haar beroep deels is gericht tegen de gewijzigde vaststelling van het aanwijzingsbesluit en in zoverre ontvankelijk moet worden geacht, omdat in het definitieve aanwijzingsbesluit, in tegenstelling tot het ontwerpbesluit, staat vermeld dat de zeewaartse grens van het Natura 2000-gebied wordt gelegd op de dieptelijn van 20 meter, overweegt de Afdeling als volgt. De door de Faunabescherming bedoelde passage staat in de toelichting van het besluit en heeft betrekking op een toekomstige wijziging van de begrenzing die naar aanleiding van het integraal Beheerplan Noordzee 2015 bij nader besluit zal plaatsvinden. Het gaat derhalve niet om een gewijzigde vaststelling van de begrenzing van het onderhavige aanwijzingsbesluit.

Gelet op het voorgaande is het beroep van de Faunabescherming niet-ontvankelijk.

Intrekking

2.1.2. De Vogelbescherming heeft haar beroepsgrond dat de instandhoudingsdoelstellingen ten onrechte geen bindende kwantitatieve component bevatten ter zitting ingetrokken.

Nader stuk van de Stichting Noordzee

2.2. Het door de Stichting Noordzee elf dagen voor de zitting ingediende nadere stuk, inhoudende haar reactie op het verweerschrift met bijlagen, wordt wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het, gezien de aard en omvang van het genoemde stuk met bijbehorende bijlagen, voor de staatssecretaris niet mogelijk was hierop op passende wijze te reageren. Voorts is niet gebleken dat deze stukken niet eerder in de onderhavige procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht. De Stichting Noordzee heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was deze stukken eerder in te dienen.

Wettelijk kader

2.3. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:

a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voor zover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn of

b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in het tweede lid, mede betrekking hebben op doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Nbw 1998, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit en voor zover thans van belang, stellen gedeputeerde staten na overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden, voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstellingen wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel behoren tot de inhoud van een beheerplan ten minste:

a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied en, voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling, daarbuiten;

b. een overzicht op hoofdlijnen van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke maatregelen met het oog op de onder a. bedoelde resultaten.

2.4. Ingevolge artikel 19f, eerste lid, voor zover hier van belang, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, voor zover hier van belang, kent, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van de Nbw 1998, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.6. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel e, van de Habitatrichtlijn wordt in deze richtlijn onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De "staat van instandhouding" wordt als gunstig beschouwd wanneer:

- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en

- de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en

- de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Habitatrichtlijn wordt de staat van instandhouding van een soort als "gunstig" beschouwd wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

Ingevolge artikel 2 van de Habitatrichtlijn heeft deze richtlijn tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het verdrag van toepassing is.

2.7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover van belang, wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de lidstaten overeenkomstig de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones.

2.8. Ingevolge artikel 4, eerste lid, derde volzin, van de Habitatrichtlijn worden gebieden voor aquatische soorten met een groot territorium alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn.

Ingevolge het vierde lid van dat artikel wijst, voor zover hier van belang, wanneer een gebied tot een gebied van communautair belang is verklaard, de betrokken lidstaat het gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone.

Algemene aanwijzingssystematiek

2.9. In het Doelendocument, dat aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag is gelegd, en het aanwijzingsbesluit staat de systematiek die de minister hanteert bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen beschreven. De minister heeft uiteengezet dat de selectie en de vaststelling van de begrenzing van een Natura 2000-gebied plaatsvindt aan de hand van uitsluitend ecologische criteria. Vervolgens wordt de landelijke staat van instandhouding van de verschillende soorten en habitattypen bepaald. Dit gebeurt onder meer door de draagkracht van de Natura 2000-gebieden en de trend van de soorten en habitattypen te bepalen met behulp van een aantal beoordelingscriteria. Met betrekking tot de soorten waarvoor het gebied op grond van de Vogelrichtlijn is aangewezen wordt de staat van instandhouding mede bepaald op grond van de historische potentie van het gebied. Dat betekent dat de historische ontwikkeling van de vogelsoorten in de periode van 1980-1981, het moment waarop de lidstaten aan verplichtingen op grond van de Vogelrichtlijn diende te voldoen, tot 2003-2004 is bepaald, zo staat in het Doelendocument vermeld. Op basis van de landelijke staat van instandhouding van de soorten en habitattypen wordt een opgave geformuleerd op grond waarvan de landelijke doelstellingen worden vastgesteld. Indien sprake is van een ongunstige staat van instandhouding wordt volgens het Doelendocument in beginsel een herstelopgave in de landelijke instandhoudingsdoelstelling opgenomen.

Vervolgens worden de instandhoudingsdoelstellingen per gebied vastgesteld. Hierbij staat de landelijke doelstelling en de landelijke staat van instandhouding van de soorten en habitattypen centraal. Bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau houdt de minister ook rekening met andere dan ecologische criteria. In dit verband hanteert de minister het uitgangspunt 'haalbaar en betaalbaar', wat inhoudt dat ook economische overwegingen een rol mogen spelen bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor een bepaald Natura 2000-gebied. Zo beziet de minister in welke gebieden een eventuele herstelopgave het eenvoudigst kan worden gerealiseerd. Indien blijkt dat de som van de verschillende gebiedsdoelstellingen niet kan leiden tot realisatie van de landelijke doelstelling en derhalve niet kan leiden tot een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau, vindt volgens het Doelendocument een terugkoppeling plaats. Bij deze terugkoppeling wordt nogmaals de haalbaarheid van de verschillende gebiedsdoelen bezien, waarbij in dit stadium ecologische criteria doorslaggevend zijn. Alleen indien op basis van ecologische criteria blijkt dat herstel van het habitattype of de soort, gelet op de feitelijke omstandigheden, niet haalbaar is, wordt de landelijke doelstelling bijgesteld. Indien uitgaande van ecologische criteria blijkt dat herstel wel haalbaar is, vindt een herformulering van de gebiedsdoelen plaats, zodat de landelijke doelstelling en daarmee de landelijke gunstige staat van instandhouding kan worden bereikt, aldus het Doelendocument.

Beroepsgronden met betrekking tot de algemene systematiek en vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen

Staat van instandhouding op landelijk niveau of gebiedsniveau

2.10. De Stichting Noordzee en de Vogelbescherming kunnen zich op een aantal punten niet vinden in de algemene systematiek die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Volgens hen is het ambitieniveau van de instandhoudingsdoelstellingen te laag. Hiertoe voeren zij ten eerste aan dat bij de vaststelling van de gebiedsdoelen ten onrechte slechts wordt verwezen naar de landelijke staat van instandhouding van soorten en habitats. In dit verband verwijzen zij naar de in opdracht van de Vogelbescherming door het centrum van wetgevingsvraagstukken van de Universiteit Tilburg opgestelde rapporten "Juridische toets doelensystematiek" van 2 oktober 2006 en "Conceptaanwijzingsbesluiten getoetst" van april 2008. Op grond van deze rapporten betogen de Stichting Noordzee en de Vogelbescherming dat de instandhoudingsdoelstellingen op grond van de tekst van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) zowel op landelijk niveau als op gebiedsniveau tot een gunstige staat van instandhouding dienen te leiden. Uit de omstandigheid dat het Hof in de jurisprudentie met betrekking tot de aanwijzing en selectie van gebieden zoals het arrest van 23 maart 2006, C-209/04, Commissie/Oostenrijk I, (www.curia.europa.eu), een gebiedgerichte benadering kiest, kan volgens de Stichting Noordzee en de Vogelbescherming worden afgeleid dat eveneens op gebiedsniveau een gunstige staat van instandhouding dient te worden nagestreefd. De Stichting Noordzee wijst in dit verband voorts op het arrest van het Hof van 10 mei 2007, C-508/04, Commissie/Oostenrijk II (www.curia.europa.eu). Volgens haar volgt uit dit arrest dat alle bestanddelen uit het begrip "gunstige staat van instandhouding" in acht dienen te worden genomen.

2.10.1. De minister stelt zich op het standpunt dat noch uit de Vogelrichtlijn noch uit de Habitatrichtlijn volgt dat bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau niet als uitgangspunt mag worden gehanteerd.

2.10.2. Zoals hiervoor overwogen onder 2.9. zoekt de minister bij het vaststellen van de gebiedsdoelen aansluiting bij de populatie van een soort en/of het oppervlak van een leefgebied of oppervlakte van een habitattype dat minimaal benodigd is voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Bij uitspraak van 5 november 2008, (zaak nr. 200802545/1) heeft de Afdeling reeds overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor een gebied niet mag aansluiten bij de populatie die minimaal benodigd is voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. In hetgeen de Stichting Noordzee en de Vogelbescherming hebben aangevoerd ziet de Afdeling thans geen aanleiding hier ten aanzien van de populatie, de oppervlakte van een leefgebied of habitattype anders over te oordelen. Daartoe overweegt zij als volgt.

In de omschrijving die artikel 1, onderdeel e, van de Habitatrichtlijn geeft van "gunstige staat van instandhouding" ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied naast het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau eveneens een gunstige staat van instandhouding op gebiedsniveau als uitgangspunt dient te nemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge het eerste gedachtestreepje van artikel 1, onderdeel e, onder meer sprake is van een "gunstige staat van instandhouding" van een habitat als het natuurlijke verspreidingsgebied van het habitattype en de oppervlakte van dat habitattype binnen dat verspreidingsgebied stabiel zijn of toenemen binnen het in artikel 2 van de Habitatrichtlijn bedoelde grondgebied van de lidstaat. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de lidstaat een gunstige staat van instandhouding op gebiedsniveau dient na te streven. De tekst van de Vogelrichtlijn biedt evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister bij de vaststelling van de gebiedsdoelen naast de landelijke staat van instandhouding eveneens van de staat van instandhouding op gebiedsniveau dient uit te gaan.

Voor zover de Stichting Noordzee en de Vogelbescherming verwijzen naar het arrest Commissie/Oostenrijk I, overweegt de Afdeling dat het Hof zich daarin niet heeft uitgelaten over de definitie van een gunstige staat van instandhouding. In dit arrest oordeelde het Hof dat Oostenrijk twee gebieden die zich kwalificeren voor de kwartelkoning ten onrechte niet had aangewezen als speciale beschermingszone voor deze soort. Uit de omstandigheid dat het Hof zich in dit arrest hoofdzakelijk richt op de vraag of deze gebieden zich kwalificeren voor de kwartelkoning, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor een gebied de landelijke staat van instandhouding niet als uitgangspunt zou mogen nemen. Uit de omstandigheid dat het Hof in het arrest Commissie/Oostenrijk II oordeelde dat de lidstaten alle bestanddelen van het begrip gunstige staat van instandhouding met voldoende juridische nauwkeurigheid in hun nationale recht dienen om te zetten, kan evenmin worden afgeleid dat bij de vaststelling van de gebiedsdoelen eveneens de staat van instandhouding op gebiedsniveau als uitgangspunt dient te worden genomen.

2.11. De Stichting Noordzee betoogt daarnaast dat, indien een bepaalde soort of een bepaald habitattype landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeert, op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn voor elk gebied dat voor deze soort of voor dit habitattype is aangewezen zonder meer een herstelopgave dient te worden geformuleerd.

2.11.1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat een landelijk ongunstige staat van instandhouding niet zonder meer met zich brengt dat voor ieder afzonderlijk gebied dat voor een soort of habitattype is aangewezen een verbeterdoelstelling dient te worden opgenomen.

2.11.2. De Afdeling is van oordeel dat noch uit de Vogelrichtlijn, noch uit de Habitatrichtlijn volgt dat in zijn algemeenheid geldt dat indien een bepaalde soort of een bepaald habitattype in een landelijk ongunstige staat van instandhouding verkeert zonder meer voor ieder gebied dat voor deze soort of dit habitattype is aangewezen een herstelopgave dient te worden geformuleerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals reeds is overwogen onder 2.10 tot en met 2.10.2, de minister bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen de landelijke staat van instandhouding van een soort of van een habitattype centraal heeft mogen stellen. Indien een landelijk gunstige staat van instandhouding kan worden bereikt doordat een landelijke herstelopgave voor een soort of habitattype kan worden gedekt door een herstelopgave in een ander gebied, kan onder omstandigheden worden volstaan met een behouddoelstelling. In hoeverre in een aangewezen gebied kan worden volstaan met een behouddoelstelling voor een soort die of habitattype dat landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeert is derhalve afhankelijk van de specifieke omstandigheden, zodat niet zonder meer geldt dat indien een soort of habitattype landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeert voor ieder gebied dat voor deze soort of dit habitattype is aangewezen een verbeteropgave dient te worden geformuleerd.

Peildatum

2.12. De Vogelbescherming brengt daarnaast naar voren dat de stand van zaken in 1981, het jaar waarin Nederland de Vogelrichtlijn had moeten implementeren, ten onrechte niet mede bepalend is geweest voor de omvang van de richtlijnverplichting. Zij voert hiertoe aan dat een lidstaat geen voordeel mag hebben van een te late tenuitvoerlegging van richtlijnen en zij wijst in dit verband op het arrest van het Hof van 13 december 2008, C-418/04, Commissie/Ierland (Moy Valley) (www.curia.europa.eu).

2.12.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (in voornoemde uitspraak van 5 november 2008, in zaak nr. 200802545/1) dat noch uit de omschrijving die artikel 1, onderdeel i, van de Habitatrichtlijn geeft van "gunstige staat van instandhouding", noch uit enige andere bepaling in de Vogel- of de Habitatrichtlijn, volgt dat het streven naar een gunstige staat van instandhouding de verplichting met zich brengt tot het handhaven van populaties van soorten in een op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen gebied in een omvang die overeenkomt met die op het moment waarop uitvoering moest zijn gegeven aan de op grond van die richtlijn geldende verplichtingen. In hetgeen de Vogelbescherming heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. Hiertoe overweegt zij als volgt. Zoals reeds overwogen onder 2.9. staat in het Doelendocument en het verweerschrift beschreven dat bij de het bepalen van de draagkracht van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen de historische ontwikkeling van de vogelsoorten van 1980 tot 2003 wordt bezien. Anders dan Vogelbescherming kennelijk veronderstelt, is de ontwikkeling van de soorten sinds het moment dat uitvoering moest zijn gegeven aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn derhalve mede bepalend geweest bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voor dit gebied.

Voor zover de Vogelbescherming verwijst naar het arrest van het Hof in de zaak Commissie/Ierland (Moy Valley), overweegt de Afdeling dat uit dit arrest niet volgt dat de instandhoudingsdoelstellingen van een gebied dienen te worden afgestemd op de omvang van populaties en soorten zoals die bestonden in 1981. Hierbij is van belang dat het onderdeel van het arrest dat betrekking heeft op Moy Valley, uitsluitend ziet op de vraag of dat gebied ten onrechte niet was aangewezen als speciale beschermingszone vanwege het voorkomen van de kwartelkoning aldaar. In die zaak oordeelde het Hof, voor zover hier van belang, dat Ierland het gebied Moy Valley had moeten aanwijzen als speciale beschermingszone - ondanks het verdwenen zijn van de kwartelkoning uit dat gebied - en dat Ierland tot het moment van aanwijzing op zijn minst passende maatregelen had moeten nemen om verslechtering van de habitats, veroorzaakt door wijzigingen van de landbouwpraktijken, in Moy Valley te voorkomen. Nu dit oordeel uitsluitend betrekking had op het niet aanwijzen van Moy Valley als speciale beschermingszone, valt hieruit niet af te leiden dat de te formuleren instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied dienen te worden gebaseerd op de omvang van de populaties zoals die bestonden op het moment waarop uitvoering had moeten zijn gegeven aan de op grond van de Vogelrichtlijn geldende verplichtingen.

'haalbaar en betaalbaar'

2.13. Voorts heeft de minister volgens de Vogelbescherming ten onrechte het uitgangspunt 'haalbaar en betaalbaar' toegepast. Het bij de aanwijzing van Vogel- en Habitatrichtlijngebieden geldende uitgangspunt dat alleen ecologische criteria een rol mogen spelen, is volgens de Vogelbescherming eveneens van toepassing op de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen. In dit verband verwijst de Vogelbescherming naar het hiervoor genoemde arrest Commissie/Oostenrijk I.

2.13.1. Zoals reeds overwogen onder 2.9. hanteert de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau het uitgangspunt haalbaar en betaalbaar, wat inhoudt dat ook economische overwegingen een rol mogen spelen bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied. De minister beziet in welke gebieden een eventuele herstelopgave het eenvoudigst te behalen is. Indien blijkt dat de som van de verschillende gebiedsdoelen niet kan leiden tot realisatie van de landelijke doelstelling en derhalve niet kan leiden tot een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau, vindt volgens het Doelendocument een terugkoppeling plaats. Bij deze terugkoppeling wordt nogmaals gekeken naar de haalbaarheid van de verschillende gebiedsdoelen, waarbij in dit stadium ecologische criteria doorslaggevend zijn. Indien op grond van ecologische criteria wordt geconcludeerd dat een doelstelling niet haalbaar is wordt deze bijgesteld.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn dienen bij het aanwijzen van de speciale beschermingszones de prioriteiten te worden vastgesteld voor het in gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten. Volgens arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping (punten 16 en 25, www.curia.europa.eu) kunnen bij een aanwijzingsbesluit als het onderhavige uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de keuze en de afbakening van de begrenzing van het gebied. Geen rekening mag worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Dat het voorgaande eveneens geldt voor de formulering van de instandhoudingsdoelstellingen in een aanwijzingsbesluit als het onderhavige, volgt niet uit voornoemd arrest noch uit het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof inzake Commissie/Oostenrijk I. In hetgeen de Vogelbescherming heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop de minister het begrip 'haalbaar en betaalbaar' hanteert in strijd is met de Vogel- en Habitatrichtlijn.

termijnen

2.14. De Vogelbescherming betoogt voorts dat de minister aan de instandhoudingsdoelstellingen waarin een herstelopgave is opgenomen ten onrechte geen termijn heeft verbonden. Zonder een dergelijke termijn is niet gewaarborgd dat de soorten en habitattypen tijdig een gunstige staat van instandhouding zullen bereiken. Hiertoe voert de Vogelbescherming aan dat in artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn is opgenomen dat de lidstaat de prioriteiten vast moet stellen gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat. Voorts verwijst de Vogelbescherming in dit verband naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, C-535/07, Commissie/ Oostenrijk (www.curia.europa.eu), waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat in sommige gevallen een termijn moet worden opgenomen voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.

2.14.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de Vogel- en Habitatrichtlijn geen bepalingen bevat die ertoe verplichten dat een einddatum voor de verwezenlijking van een instandhoudingsdoelstelling wordt opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Dergelijke termijnen kunnen in het beheerplan worden opgenomen, aldus de minister.

2.14.2. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, waarin onder andere de verplichting tot het stellen van prioriteiten voor het betrokken gebied is vastgelegd, niet dat in een besluit tot aanwijzing van een speciale beschermingszone een termijn voor verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen dient te worden opgenomen dan wel dat een dergelijke termijn gelijktijdig met het aanwijzingsbesluit dient te worden vastgesteld. Voor zover de Vogelbescherming verwijst naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 overweegt de Afdeling dat het Hof in dat arrest heeft overwogen dat de juridische beschermingsstatus van speciale beschermingszones niet zonder meer met zich brengt dat de doelstellingen voor elke soort afzonderlijk dienen te worden beschouwd. In specifieke gevallen kan het naar het oordeel van het Hof voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen evenwel vereist zijn dat meer gedetailleerde bepalingen worden opgenomen. Hieruit kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat de minister op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn is gehouden een termijn aan de instandhoudingsdoelstellingen te verbinden. Evenwel kan de minister in voorkomende gevallen besluiten een termijn te verbinden aan de verwezenlijking van instandhoudingsdoelstellingen. In dergelijke gevallen zal deze termijn in het beheerplan worden opgenomen, zo heeft de minister uiteengezet. In hetgeen de Vogelbescherming heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat termijnen voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen niet eerst in het beheerplan kunnen worden opgenomen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister niet heeft kunnen afzien van het opnemen van termijnen in het bestreden besluit.

2.15. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de door de minister gehanteerde systematiek bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau in zijn algemeenheid in strijd is met de verplichtingen die Nederland als lidstaat heeft ingevolge de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Het beroep van de Stichting Noordzee voor het overige

Begrenzing

2.16. De Stichting Noordzee betoogt dat de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied onvoldoende is gemotiveerd. De begrenzing van het gebied is volgens haar niet gebaseerd op ecologische criteria, nu uit het Profielendocument naar voren komt dat het habitattype H1110B "permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken" tot een diepte van 20 meter voorkomt. In dit verband wijst de Stichting Noordzee erop dat de minister voornemens is de zeewaartse begrenzing van het Habitatrichtlijngebied te wijzigen.

2.16.1. Het gebied Noordzeekustzone bestaat uit de kustwateren van de Noordzee tussen Petten en de Eems. Het gebied heeft een oppervlakte van 123.985 ha, waarvan 98.169 ha uitsluitend Vogelrichtlijngebied betreft. De zeewaartse grens van het Habitatrichtlijngebied ligt op de dieptelijn van 5 meter. Zoals hiervoor overwogen mogen bij de vaststelling van de begrenzing van een Natura 2000-gebied uitsluitend ecologische criteria een rol spelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt op basis van welke ecologische criteria de zeewaartse begrenzing van het Habitatrichtlijngebied in het bestreden besluit is vastgesteld op de dieptelijn van 5 meter. Noch uit de stukken noch ter zitting is gebleken dat aan de keuze voor deze begrenzing een onderzoek naar het voorkomen van habitattypen en -soorten in het gebied ten grondslag is gelegd. Bovendien heeft de minister zich thans op het standpunt gesteld dat de zeewaartse begrenzing van het Habitatrichtlijngebied in het bestreden besluit op basis van ecologische criteria niet op goede gronden is vastgesteld. Het bestreden besluit is gelet op het vorenstaande in zoverre genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

habitattype H1110B

2.17. De Stichting Noordzee betoogt dat voor het habitattype permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken (H1110B) ten onrechte een behouddoelstelling is opgenomen. Nu uit het Profielendocument volgt dat de landelijk staat van instandhouding voor dit habitattype matig ongunstig is, heeft de minister volgens de Stichting Noordzee onvoldoende gemotiveerd waarom voor dit habitattype een behouddoelstelling is geformuleerd.

2.17.1. De minister heeft uiteengezet dat de instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype H1110B nog nader zal worden bekeken bij de voorziene uitbreiding van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone.

2.17.2. Niet in geschil is dat het habitattype H1110B in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert. In het Profielendocument is uiteengezet dat de kwalificatie van de staat van instandhouding als matig ongunstig, het gevolg is van het feit dat het aspect kwaliteit en toekomstperspectief als matig ongunstig zijn te kwalificeren. De andere beoordelingsaspecten, te weten oppervlakte en verspreiding, worden als gunstig aangemerkt. In het bestreden besluit is voor dit habitattype de doelstelling behoud van omvang en kwaliteit opgenomen. Uit het Profielendocument volgt dat het gebied Noordzeekustzone ruim de helft van het areaal van het habitattype H1110B bevat. Voorts volgt uit het bestreden besluit dat voor de overige gebieden die zijn aangewezen voor het habitattype H1110B, te weten de Voordelta en Westerschelde & Saeftinghe, eveneens een behouddoelstelling is opgenomen. Zoals hiervoor reeds overwogen streeft de minister ernaar de soorten en habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen landelijk in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De minister heeft gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de gunstige staat van instandhouding voor het habitattype H1110B kan worden bereikt en op welke gronden in het onderhavige aanwijzingsbesluit voor het habitattype H1110B is volstaan met een behouddoelstelling. Voor zover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat de instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype nader zal worden bezien bij de uitbreiding van het gebied, overweegt de Afdeling dat in deze procedure het onderhavige aanwijzingsbesluit ter beoordeling staat. Het eventuele voornemen de instandhoudingsdoelstelling te herformuleren is thans niet aan de orde.

2.18. De Stichting Noordzee brengt voorts naar voren dat ten onrechte de staat van instandhouding van het habitattype H1110B binnen het gebied Noordzeekustzone niet is beschreven. Daarnaast ontbreekt een duidelijke omschrijving van een gunstige staat van instandhouding van het habitattype H1110B, zodat de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende toetsbaar zijn, aldus de Stichting Noordzee. Voorts wordt in het Profielendocument volgens de Stichting Noordzee ten onrechte voorbij gegaan aan de effecten van de sleepnetvisserij op dit habitattype.

2.18.1. De minister stelt zich op het standpunt dat geen verplichting bestaat om de staat van een instandhouding voor een soort of habitattype op gebiedsniveau te beschrijven. Daarnaast heeft de minister uiteengezet dat in het Profielendocument de invloed van sleepnetvisserij op het habitattype H1110B wordt onderkend. Bovendien zijn de effecten van de sleepnetvisserij volgens de minister met name van belang bij het opstellen van het beheerplan. Wat betreft de beschrijving van een gunstige staat van instandhouding verwijst de minister naar artikel 1, onderdeel e, van de Habitatrichtlijn.

2.18.2. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen onder 2.10. tot en met 2.10.2. heeft de minister bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen de landelijke staat van instandhouding centraal kunnen stellen. Noch op grond van de Habitatrichtlijn noch op grond van de Nbw 1998 is vereist dat per gebied de staat van instandhouding wordt beschreven.

Voor zover de Stichting Noordzee betoogt dat een omschrijving van een gunstige staat van instandhouding van habitattype H1110B ontbreekt, overweegt de Afdeling dat artikel 1, onderdeel e, van de Habitatrichtlijn de definitie is opgenomen van een gunstige staat van instandhouding voor habitattypen. In het Profielendocument is de huidige landelijke staat van instandhouding beschreven en staat voorts aangegeven op welke punten verbetering van dit habitattype zal kunnen plaatsvinden. De Stichting Noordzee heeft niet nader geconcretiseerd op welke punten deze beschrijving in het Profielendocument onjuist of onvolledig zou zijn. In hetgeen de Stichting Noordzee heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat aan de omschrijving van het habitattype H1110B in het Profielendocument dusdanige gebreken kleven dat op grond hiervan de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende toetsbaar zouden zijn.

Blijkens het Profielendocument zijn de effecten van de sleepnetvisserij betrokken bij de beoordeling van de staat van instandhouding van het habitattype H1110B. In zoverre is derhalve niet aan de effecten hiervan voorbij gegaan. In de omstandigheid dat de effecten van de sleepnetvisserij op de instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H1110B thans nog niet zijn beoordeeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat eerst in het beheerplan de effecten van de bestaande activiteiten in de Noordzeekustzone op de natuurwaarden van dit gebied zullen worden beoordeeld.

2.19. Voorts betoogt de Stichting Noordzee dat ten onrechte het verband tussen habitattype H1110B en de aan dit habitattype gerelateerde vogelsoorten, te weten de zwarte zee-eend, de roodkeelduiker, toppereend en de eider, niet is beschreven. De staat van instandhouding van habitattype H1110B en de staat van instandhouding van deze vogelsoorten worden volgens de Stichting Noordzee ten onrechte los van elkaar beoordeeld.

2.19.1. Blijkens het Profielendocument wordt de kwaliteit van het habitattype H1110B mede beoordeeld aan de hand van de binnen dat habitattype voorkomende typische soorten. Het gaat hierbij om een aantal soorten dat kenmerkend is voor dit habitattype. De door de Stichting Noordzee bedoelde vogelsoorten behoren niet tot de voor het habitattype H1110B kenmerkende soorten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze vogelsoorten bij de beoordeling van dit habitattype betrokken dienen te worden.

De staat van instandhouding van vogelsoorten wordt blijkens het Profielendocument evenwel mede beoordeeld op grond van het aspect leefgebied. Indien het habitattype H1110B onderdeel uitmaakt van dit leefgebied van een vogelsoort vormt dit habitattype indirect onderdeel van de beoordelingsaspecten van deze soort en wordt de instandhoudingsdoelstelling van deze vogelsoorten niet volledig los bezien van dit habitattype. De Stichting Noordzee heeft de juistheid van de aan het Profielendocument ontleende gegevens omtrent de staat van instandhouding van deze vogelsoorten voorts op zichzelf niet betwist. In hetgeen de Stichting Noordzee op dit punt heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het voorgaande dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

toppereend

2.20. De Stichting Noordzee betoogt voorts dat onvoldoende duidelijk is hoe de instandhoudingsdoelstelling voor de toppereend bijdraagt aan een landelijk gunstige staat van instandhouding. De minister heeft volgens haar onvoldoende gemotiveerd waarom kon worden volstaan met een behouddoelstelling.

2.20.1. De minister wijst in dit verband op de instandhoudingsdoelstelling voor de toppereend in de Waddenzee. Nu de achteruitgang van deze soort voornamelijk wordt veroorzaakt door een afname in de Waddenzee zal een verbeteropgave in dat gebied deze soort weer in een landelijk gunstige staat van instandhouding kunnen brengen, aldus de minister.

2.20.2. Voor de toppereend is voor de Noordzeekustzone de doelstelling behoud omvang en kwaliteit leefgebied opgenomen. Niet in geschil is dat de toppereend landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert. In het Profielendocument is aangegeven dat de kwalificatie van de staat van instandhouding als zeer ongunstig het gevolg is van het feit dat het aspect populatie als zeer ongunstig is beoordeeld, omdat sinds 1981 een matige afname van de populatie te zien is. Vanwege de zeer ongunstige staat van instandhouding is landelijk een herstelopgave geformuleerd voor de toppereend. De andere beoordelingsaspecten, te weten verspreiding, leefgebied, en toekomstperspectief worden in het Profielendocument echter als gunstig beoordeeld. Nu uit het Profielendocument voorts volgt dat de afname van de populatiegrootte vooral voor rekening komt van de Waddenzee en de landelijke herstelopgave geheel wordt gedekt door de herstelopgave die blijkens het aanwijzingsbesluit Waddenzee voor dat gebied voor de toppereend is geformuleerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister in het besluit tot aanwijzing van de Noordzeekustzone niet heeft kunnen volstaan met een behouddoelstelling voor deze soort.

eider

2.21. Volgens de Stichting Noordzee is voor de eider eveneens ten onrechte een behouddoelstelling opgenomen, nu voor deze soort landelijk een ongunstige staat van instandhouding geldt.

2.21.1. De minister heeft uiteengezet dat de verbeterdoelstelling die voor deze soort voor de Waddenzee is vastgesteld naar verwachting zal leiden tot een gunstige landelijke staat van instandhouding voor deze soort.

2.21.2. Voor de eider is in de Noordzeekustzone een doelstelling tot behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 26.200 vogels. Niet in geschil is dat de eider landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert. In het Profielendocument staat vermeld dat de kwalificatie van de staat van instandhouding als zeer ongunstig het gevolg is van het feit dat het aspect leefgebied als zeer ongunstig is beoordeeld. Redenen hiervoor is afname van de voedselbeschikbaarheid. De beoordelingsaspecten verspreiding, populatie en toekomstperspectief worden als gunstig beoordeeld. Landelijk is voor de eider een doelstelling tot uitbreiding omvang en kwaliteit van het leefgebied vastgesteld. Volgens het Profielendocument is de verslechtering van het leefgebied van de eider te wijten aan een afname van het voedselaanbod in de Waddenzee. Blijkens het aanwijzingsbesluit Waddenzee is voor de eider in dat gebied een verbeterdoelstelling geformuleerd. Volgens de minister wordt de landelijke herstelopgave volledig gedekt door de herstelopgave die voor de Waddenzee is geformuleerd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in het besluit tot aanwijzing van de Noordzeekustzone niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met een behouddoelstelling voor de eider.

zwarte zee-eend

2.22. De Stichting Noordzee kan zich voorts niet verenigen met de voor de zwarte zee-eend vastgestelde behouddoelstelling. De minister heeft volgens haar onvoldoende gemotiveerd waarom voor deze soort kon worden volstaan met een behouddoelstelling, terwijl deze soort landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert.

2.22.1. De minister heeft uiteengezet dat de populatie zwarte zee-eenden op dit moment stabiel is en dat om die reden thans geen noodzaak bestaat tot het opnemen van een verbeterdoelstelling.

2.22.2. Voor de zwarte zee-eend is in de Noordzeekustzone een doelstelling tot behoud omvang en behoud kwaliteit van het leefgebied opgenomen. Volgens het Profielendocument verkeert de zwarte zee-eend landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. De kwalificatie van de staat van instandhouding als matig ongunstig is het gevolg van het feit dat het aspect leefgebied als matig ongunstig is beoordeeld. De overige beoordelingsaspecten, te weten, verspreiding, populatie en toekomstperspectief worden in het Profielendocument als gunstig beoordeeld. Landelijk is voor de zwarte zee-eend eveneens een behouddoelstelling opgenomen. Volgens het Profielendocument zijn de banken met hoge dichtheden van halfgeknotte strandschelpen, die belangrijkste voedselbron van de zwarte zee-eend vormden, enkele jaren geleden verdwenen. De zwarte zee-eenden zijn noodzakelijkerwijs overgeschakeld op mesheften (ensis) als voedselbron. Het is thans nog niet geheel duidelijk of dit schelpdier op de lange termijn geschikt zal zijn als voedselbron voor de zwarte zee-eend. Gelet hierop is de staat van instandhouding, wat betreft leefgebied, in het Profielendocument als matig ongunstig beschouwd. Volgens het Profielendocument kan voor deze soort evenwel worden volstaan met een behouddoelstelling. Nu er, gelet op de stabiele populatie zwarte zee-eenden in de Noordzeekustzone, thans geen redenen zijn aan te nemen dat de mesheften niet geschikt zouden zijn als voedselbron voor de zwarte zee-eend, ontbreekt volgens de minister vooralsnog de noodzaak om voor deze soort, wat betreft het aspect leefgebied, een herstelopgave te formuleren. In hetgeen de Stichting Noordzee heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister in het besluit tot aanwijzing van de Noordzeekustzone desondanks niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met een behouddoelstelling voor de zwarte zee-eend.

bruinvis

2.23. De Stichting Noordzee betoogt verder dat voor de bruinvis ten onrechte een behouddoelstelling is opgenomen. Nu deze soort volgens het Profielendocument in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, heeft de minister onvoldoende onderbouwd hoe deze soort landelijk in een gunstige staat van instandhouding kan worden gebracht. In dit verband wijst de Stichting Noordzee erop dat voor de bruinvis landelijk eveneens een behouddoelstelling is opgenomen.

2.23.1. De minister stelt zich op het standpunt dat voor de bruinvis kan worden volstaan met een behouddoelstelling. In dit verband wijst de minister erop dat het treffen van maatregelen in de Noordzeekustzone niet zinvol is, omdat de gehele Noordzee tot het leefgebied van de bruinvis behoort. Voorts is volgens de minister sinds 1990 sprake van een toename van deze soort.

2.23.2. Voor de bruinvis is voor de Noordzeekustzone de doelstelling tot behoud omvang en behoud kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie opgenomen. Volgens het Profielendocument verkeert de bruinvis in een zeer ongunstige staat van instandhouding. De kwalificatie van de staat van instandhouding als zeer ongunstig is het gevolg van het feit dat het aspect populatie als zeer ongunstig is te kwalificeren. De beoordelingsaspecten toekomstperspectief en leefgebied worden als matig ongunstig aangemerkt en het beoordelingsaspect verspreiding als gunstig, zo vermeldt het Profielendocument. Uit het bestreden besluit volgt dat de Noordzeekustzone het enige Natura 2000-gebied is dat voor de bruinvis is aangewezen. Gelet hierop heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe een gunstige staat van instandhouding voor de bruinvis kan worden bereikt en op welke gronden in het onderhavige aanwijzingsbesluit voor alle aspecten slechts een behouddoelstelling is opgenomen voor de bruinvis. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat geen verbeterdoelstelling behoefde te worden opgenomen, omdat de bruinvis sinds 1990 weer toeneemt in de Noordzeekustzone, overweegt de Afdeling dat de bruinvis zich ondanks deze toename volgens het Profielendocument nog steeds in een zeer ongunstige staat van instandhouding bevindt. Met betrekking tot de stelling van de minister dat maatregelen in de Noordzeekustzone niet zinvol zijn, omdat de gehele Noordzee tot het leefgebied van de bruinvis behoort, overweegt de Afdeling dat nu de minister de Noordzeekustzone heeft aangewezen voor de bruinvis, mag worden aangenomen dat dit gebied zich voor deze soort in betekenende mate onderscheidt van de overige delen van de Noordzee. Gelet hierop acht de Afdeling het betoog van de minister dat maatregelen in dit gebied niet zinvol zullen zijn onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

grijze zeehond

2.24. De Stichting Noordzee betoogt voorts dat in het bestreden besluit voor de grijze zeehond ten onrechte is volstaan met een behouddoelstelling, aangezien deze soort volgens het Profielendocument landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert.

2.24.1. De minister heeft uiteengezet dat gelet op een recente toename van de grijze zeehond kan worden volstaan met een behouddoelstelling. Vanwege het feit dat de grijze zeehond pas sinds kort in de Nederlandse wateren voorkomt, ontbreekt de nodige kennis over het aquatische leefgebied van deze soort, aldus de minister. Daarnaast is er recent sprake geweest van een toename van de grijze zeehond.

2.24.2. Voor de grijze zeehond is voor de Noordzeekustzone een doelstelling tot behoud van omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud van de populatie opgenomen. Volgens het Profielendocument verkeert de grijze zeehond landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. De kwalificatie van de staat van instandhouding als matig is het gevolg van het feit dat het leefgebied als matig ongunstig dient te worden beoordeeld. Uit het bestreden besluit volgt dat de Noordzeekustzone naast de Waddenzee het belangrijkste gebied is voor de grijze zeehond. Deze soort gebruikt permanent of vrijwel permanent droge zandplaten als rustgebied. Daarnaast heeft de Noordzeekustzone een belangrijke foerageerfunctie voor de grijze zeehond. Omdat er te veel verstoring optreedt, worden veel geschikte ligplaatsen in het gebied momenteel niet door deze soort gebruikt. Grijze zeehonden moeten daarom voor het werpen van jongen, zandbanken opzoeken die regelmatig worden overspoeld, zo staat in het Profielendocument. Voor de overige gebieden die voor de grijze zeehond zijn aangewezen, te weten de Waddenzee en de Voordelta, is eveneens een behouddoelstelling opgenomen voor deze soort. Voor zover de minister heeft betoogd dat in het aanwijzingsbesluit geen herstelopgave is opgenomen voor de grijze zeehond, omdat de populatie recent is toegenomen, overweegt de Afdeling dat deze soort zich, wat betreft het aspect populatie, volgens het Profielendocument ondanks deze toename nog steeds in een matig ongunstige staat van instandhouding bevindt. Gelet op het vorenstaande heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de gunstige staat van instandhouding voor de grijze zeehond kan worden bereikt en op welke gronden in het onderhavige aanwijzingsbesluit voor de grijze zeehond is volstaan met een behouddoelstelling.

Het beroep van de Vogelbescherming voor het overige

Topper en steenloper

2.25. De Vogelbescherming betoogt dat voor de topper en steenloper ten onrechte een behouddoelstelling is opgenomen, terwijl deze soorten landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeren. Volgens de Vogelbescherming zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor deze twee soorten ten onrechte slechts gemotiveerd met de constatering dat de oorzaak van de ongunstige instandhouding waarschijnlijk niet is gelegen in dit gebied. De minister heeft onvoldoende onderzocht of de Noordzeekustzone voor deze soorten niet een grotere bijdrage kan leveren aan het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding, aldus de Vogelbescherming.

2.25.1. De minister stelt zich op het standpunt dat voor de topper en de steenloper de huidige zeer ongunstige staat van instandhouding vooral wordt veroorzaakt door een teruglopende populatie van beide soorten in de Waddenzee als gevolg van verminderde voedselbeschikbaarheid in dat gebied. Voor deze twee soorten is in de instandhoudingsdoelstellingen van het aanwijzingsbesluit voor de Waddenzee daarom een verbeteropgave geformuleerd en niet in het aanwijzingsbesluit voor de Noordzeekustzone.

2.25.2. Ten aanzien van de topper en de steenloper wordt door de Vogelbescherming niet bestreden dat de ongunstige staat van instandhouding van beide soorten wordt veroorzaakt in andere gebieden.

Zoals hiervoor onder 2.11.2. is overwogen, geldt niet zonder meer dat indien een soort of habitattype landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeert, voor ieder gebied dat voor deze soort of dit habitattype is aangewezen een verbeteropgave dient te worden geformuleerd. Indien een landelijke gunstige staat van instandhouding kan worden bereikt doordat een landelijke herstelopgave voor een soort of habitattype kan worden gedekt door een herstelopgave in een ander gebied, kan onder omstandigheden worden volstaan met een behouddoelstelling.

Nu volgens het aanwijzingsbesluit de afname van de populatie van zowel de topper als de steenloper vooral voor rekening komt van de gewijzigde omstandigheden in de Waddenzee en ten behoeve van de landelijke herstelopgave voor de Waddenzee een herstelopgave is opgenomen in de instandhoudingsdoelstellingen van dat aanwijzingsbesluit voor de topper en de steenloper, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in het onderhavige aanwijzingsbesluit niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met een instandhoudingsdoelstelling die ziet op het behoud van de bestaande omvang van de populaties van toppers en steenlopers in het gebied Noordzeekustzone.

Het beroep van Productschap Vis

2.26. Productschap Vis betoogt dat de uitbreiding van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone zoals opgenomen in het besluit tot wijziging van het onderhavige aanwijzingsbesluit niet noodzakelijk is, omdat reeds een groot gedeelte van het gebied waar het habitattype H1110B voorkomt, is aangewezen.

2.26.1. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat de minister op 29 december 2010 het besluit tot wijziging van het onderhavige aanwijzingsbesluit heeft genomen. Dit besluit kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, reeds omdat dit nieuwe besluit is genomen na het sluiten van het onderzoek in deze zaak. In deze procedure staat derhalve uitsluitend het onderhavige aanwijzingsbesluit ter beoordeling, zodat de door Productschap Vis bedoelde uitbreiding van het Natura 2000-gebied, zoals opgenomen in het wijzigingsbesluit, in deze uitspraak niet aan de orde kan komen.

2.27. Productschap Vis kan zich niet verenigen met de aanwijzing van het gebied als Habitatrichtlijngebied en brengt naar voren dat het gebied ten onrechte op de lijst van communautair belang is geplaatst. In dit verband brengt Productschap Vis naar voren dat de rechtsbescherming ten aanzien van de aanwijzing van de Noordzeekustzone als Habitatrichtlijngebied als zodanig illusoir is. In dit verband wijst Productschap Vis erop dat geen mogelijkheid tot inspraak is geboden ten aanzien van het selecteren en aanmelden door de minister van de gebieden van communautair belang bij de Commissie voor Europese gemeenschappen (thans Europese Unie) (hierna: de Commissie). Daarnaast bestond geen rechtsbescherming ten aanzien van de vaststelling van de lijst van gebieden van communautair belang. Nu de betrokken lidstaat op grond van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn verplicht is de aangemelde gebieden aan te wijzen, kan ook in de onderhavige procedure volgens Productschap Vis niet tegen de aanwijzing als zodanig worden opgekomen.

2.27.1. De minister heeft uiteengezet dat ondanks dat de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Nbw 1998 daartoe niet verplichten, aan belanghebbenden de mogelijkheid is geboden zienswijzen naar voren te brengen ten aanzien van de ontwerplijst van gebieden die de minister voornemens was aan te melden bij de Commissie.

2.27.2. Nu de minister ten aanzien van de conceptlijst van gebieden, waaronder de Noordzeekustzone, die hij voornemens was aan te wijzen betrokkenen de mogelijkheid geboden hieromtrent hun zienswijzen naar voren te brengen, mist het betoog dat geen inspraak is geboden feitelijke grondslag. Dat Productschap Vis hiervan geen gebruik heeft gemaakt, maakt dit niet anders.

2.27.3. In het bestreden besluit wordt het gebied Noordzeekustzone onder meer aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 29 januari 2003 (zaak nr. 200204302/1) kan een voorstel als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Habitatrichtlijn niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van Algemene wet bestuursrecht, maar een handeling ter voorbereiding van de vaststelling van deze lijst door de Commissie. In zoverre heeft het Productschap Vis terecht naar voren gebracht dat in de aanmeldingsprocedure geen rechtsbescherming openstaat.

Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de minister op grond van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn de verplichting gebieden die door de Commissie van communautair belang zijn verklaard aan te wijzen als speciale beschermingszone in de zin van die richtlijn. De lijst van gebieden van communautair belang wordt vastgesteld door de Commissie. Plaatsing van een gebied op de lijst is aan te merken als een beschikking van de Commissie. Een beschikking van de Commissie tot vaststelling van een lijst van gebieden van communautair belang is gericht tot de lidstaat. Ingevolge artikel 230, vierde alinea, van het EG-verdrag, thans artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is een beroep van een natuurlijke of rechtspersoon tot nietigverklaring van een beschikking die niet tegen hem is gericht, slechts ontvankelijk indien deze persoon rechtstreeks en individueel door die beschikking is geraakt. Het Hof heeft voorts in het arrest van 23 april 2009, C-362/06, Markku Sahlstedt/ Commissie (www.curia.europa.eu) overwogen dat de rechterlijke bescherming van natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, van het EG-verdrag, thans artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen gemeenschapshandelingen, doeltreffend moet worden verzekerd via beroepsmogelijkheden voor de nationale rechter. Overeenkomstig het in artikel 10 van het EG-verdrag, thans artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie neergelegde beginsel van loyale samenwerking moet deze de nationale regels betreffende het instellen van beroepen zoveel mogelijk aldus uitleggen en toepassen, dat die personen tegen iedere beschikking of andere nationale maatregel waarmee een hen betreffende gemeenschapshandeling wordt toegepast, in rechte kunnen opkomen, door de ongeldigheid van deze gemeenschapshandeling op te werpen en die rechter er zo toe te brengen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, zo overweegt het Hof in het arrest Markku Sahlstedt/Commissie.

Gelet op het vorenstaande is de stelling van Productschap Vis dat tegen de aanwijzing van de Noordzeekustzone als Habitatrichtlijngebied als zodanig in het geheel geen rechtsbescherming openstaat naar het oordeel van de Afdeling onjuist. Voorts heeft Productschap Vis geen gronden naar voren gebracht waarin de geldigheid van de plaatsing van de Noordzeekustzone op de lijst van communautair belang wordt betwist. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding aan de geldigheid van de beschikking van de Commissie te twijfelen, zodat in dit geval geen aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen.

2.28. Productschap Vis betoogt dat voor de habitattypen H1110B en H1140 opgenomen herstelopgaven en de daaraan gekoppelde vergroting voor de draagkracht van schelpdieretende vogels bijstelling behoeft. Voor deze habitattypen en voor de zwarte zee-eend is ten onrechte een verbeterdoelstelling opgenomen. Voornoemde herstelopgaven zijn volgens Productschap Vis onrealistisch, omdat een toename van de schelpdierbestanden gelet op de afgenomen eutrofiëring niet is te verwachten. Voorts staan deze herstelopgaven op gespannen voet met de bestaande schelpdiervisserij.

2.28.1. Voor de habitattypen H1110B en H1140 bevat het bestreden besluit een doelstelling tot behoud van oppervlakte en kwaliteit. Voor de zwarte zee-eend is, zoals reeds overwogen onder 2.22.2., de doelstelling behoud van omvang en kwaliteit met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 51.900 vogels opgenomen. De stelling van Productschap Vis dat voor de habitattypen H1110B en H1140 en de zwarte zee-eend ten onrechte een herstelopgave is vastgesteld mist derhalve feitelijke grondslag.

Voor zover Productschap Vis beoogt aan te voeren dat het in de instandhoudingsdoelstelling voor de zwarte zee-eend opgenomen aantal van 51.900, anders dan de minister stelt, een verbeterdoelstelling tot gevolg heeft, omdat deze soort niet in een dergelijke omvang in de Noordzeekustzone voorkomt, overweegt de Afdeling dat dit aantal volgens het aanwijzingsbesluit is gebaseerd op midwinter-aantallen. Productschap Vis heeft deze aantallen niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het aantal van 51.900 niet representatief is voor de huidige draagkracht van het gebied.

2.29. Productschap Vis betoogt voorts dat de belangen van de visserijsector onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. In dit verband betogen zij dat het aanwijzingsbesluit is vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat nog niet vaststaat of de visserijactiviteiten in het gebied ongewijzigd kunnen worden voortgezet, terwijl de minister heeft toegezegd dat de aanwijzing geen belemmering zou vormen voor de visserijactiviteiten. Nu de minister hieromtrent geen openheid van zaken heeft gegeven is het aanwijzingsbesluit volgens Productschap Vis eveneens in strijd met het fair play-beginsel.

2.29.1. Daargelaten de vraag of de minister een door Productschap Vis bedoelde toezegging heeft gedaan overweegt de Afdeling dat eerst in het beheerplan een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing voor het bestaande gebruik kan plaatsvinden. Daarnaast brengt artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 met zich dat een vergunning op grond van die wet nodig is, indien sprake is van een project dat, of andere handeling die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Of de visserijactiviteiten in het beheerplan kunnen worden vrijgesteld van vergunningplicht of in een voorkomend geval een vergunning al dan niet kan worden verleend, kan niet op voorhand in algemene zin in een besluit als het onderhavige worden vastgesteld, maar dient in het beheerplan zelf te worden bepaald. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het aanwijzingsbesluit is vastgesteld in strijd met het vertrouwens- of fair play beginsel.

2.30. Productschap Vis betoogt daarnaast dat het aanwijzingsbesluit is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid, omdat de uitwerking van de aanwijzing en gebruiksmogelijkheden in het gebied in het beheerplan zal worden geregeld en dit beheerplan pas later wordt vastgesteld.

2.30.1. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen bij uitspraak van 5 november 2008 (zaak nr. 200802545/1) volgt noch uit artikel 19a van de Nbw 1998 noch uit enige andere wettelijke bepaling dat het aanwijzingsbesluit en het beheerplan gelijktijdig hadden moeten worden vastgesteld. Dat een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing eerst kan plaatsvinden na de totstandkoming van het beheerplan vloeit daaruit voort dat, naar volgt uit de aangehaalde bepaling, eerst in het beheerplan de concreet te nemen instandhoudingsmaatregelen worden vastgelegd. In hetgeen Productschap Vis naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

2.31. Volgens Productschap Vis is voorts onvoldoende duidelijk in hoeverre de visserijsector zal worden gecompenseerd voor eventuele schade.

2.31.1. De Afdeling overweegt dienaangaande dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998, een regeling bevat voor vergoeding van schade die belanghebbenden lijden of zullen lijden als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a maakt deel uit van dit hoofdstuk zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze regeling valt buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat vergoeding van schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet ter beoordeling staat.

Conclusies

2.32. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.16.1. geeft hetgeen de Stichting Noordzee heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de zeewaartse begrenzing van het Habitatrichtlijngebied is vastgesteld op de dieptelijn van 5 meter, is genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.17.2. geeft hetgeen de Stichting Noordzee heeft aangevoerd voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover in de nota van toelichting daarvan de doelstelling tot behoud van oppervlakte en kwaliteit voor habitattype H1110B, is opgenomen, niet berust op een deugdelijke motivering.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.23.2. en 2.24.2. geeft hetgeen de Stichting Noordzee heeft aangevoerd daarnaast aanleiding voor het oordeel het bestreden besluit, voor zover in de nota van toelichting daarvan de doelstellingen tot behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie voor de bruinvis en de grijze zeehond zijn opgenomen, niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van de Stichting Noordzee is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft de zeewaartse grens van het Habitatrichtlijngebied wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en voor zover het voornoemde instandhoudingsdoelstellingen betreft, wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van de Stichting Noordzee is voor het overige, en de beroepen van de Vogelbescherming en Productschap Vis zijn geheel ongegrond.

Proceskosten

2.33. De minister dient ten aanzien van de Stichting Noordzee op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de Faunabescherming, de Vogelbescherming en Productschap Vis bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting de Faunabescherming niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de stichting Stichting de Noordzee gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) van 25 februari 2009, kenmerk DRZO/2008-007, voor zover dat betrekking heeft op:

a. de zeewaartse grens op de 5 meter dieptelijn van het Habitatrichtlijngebied;

b. de doelstelling tot behoud van oppervlakte en kwaliteit voor het habitattype permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken (H1110B);

c. de doelstelling tot behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie voor de bruinvis;

d. de doelstelling tot behoud van omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie van de grijze zeehond;

IV. verklaart de beroepen van Productschap Vis en andere en de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels geheel en het beroep van de Stichting Noordzee voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie tot vergoeding van bij de stichting Stichting de Noordzee in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 667,45 (zegge: zeshonderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de stichting Stichting de Noordzee het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Brand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

12-573-575.