Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201004785/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Budel-Dorplein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004785/1/R3.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appelant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Cranendonck,

2. [appelant sub 2] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Cranendonck,

3. [appelant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Cranendonck,

4. A.A.M. [appelant sub 4], wonend te Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Cranendonck,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Budel-Dorplein" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appelant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, [appelant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2010, [appelant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2010, en [appelant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep van [appelant sub 3] zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2010 en de gronden van het beroep van [appelant sub 4] bij brief van 23 juni 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partij sub 1] en [partij sub 2] (hierna in enkelvoud: [partij]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appelant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2011, waar [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 2] en anderen, van wie [appellant] in persoon, [appelant sub 3], vertegenwoordigd door mr. W.M. Herben, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [appelant sub 4], vertegenwoordigd door mr. C.J. van Binsbergen, advocaat te Roermond, en de raad, vertegenwoordigd door drs. V. Herzberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [partij] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de gehele kom van Budel-Dorplein.

Het beroep van [appelant sub 2] en anderen

2.2. Het beroep van [appelant sub 2] en anderen is gericht tegen het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie sub 2] te [woonplaats], waardoor de nieuwbouw van één extra woning op het perceel mogelijk wordt gemaakt. [appelant sub 2] en anderen zijn woonachtig in de directe nabijheid van het perceel

[locatie sub 2].

[appelant sub 2] en anderen betogen dat als gevolg van de nieuwbouw van de extra woning een verdichting op het perceel ontstaat, die in strijd is met het open karakter van het perceel zelf en de omgeving van [locatie sub 2]. Zowel planologisch als stedenbouwkundig gezien is deze verdichting niet wenselijk. Daarnaast is de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte uitgegaan van de omstandigheid dat de breedte van het perceel 50 m bedraagt. Voorts betogen [appelant sub 2] en anderen dat bij het plan ten onrechte geen archeologisch onderzoeksrapport is gevoegd, nu normaliter een archeologisch onderzoek bij nieuwe ontwikkelingen vereist is. Verder ontbreekt volgens hen een planschaderisicoanalyse of planschadeovereenkomst. Daarbij is volgens hen van belang dat een waardedaling van hun woningen aannemelijk is. Tot slot stellen zij dat hun privacy zal worden aangetast door de verdichting op het perceel.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheid om een extra woning op het perceel [locatie sub 2] te realiseren een reeds op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan bestaande bouwmogelijkheid betreft. De bouw van een extra woning doet volgens de raad geen afbreuk aan het open karakter van [locatie sub 2]. Het perceel [locatie sub 2] heeft een breedte van ongeveer 50 m. Na splitsing van dit perceel blijven twee percelen over met een breedte van ongeveer 25 m per perceel. In verband met de schuine afloop van de percelen zal overigens op een aantal plaatsen de breedte minder dan 25 m bedragen. Mede gelet op de breedte van de omliggende percelen is de raad van mening dat het perceel [locatie sub 2] voldoende breedte heeft. Daarnaast is een minimale afstand van 6 m tussen de twee toekomstige woningen op het perceel gegarandeerd. Deze afstand tussen twee woningen onderling is in de omgeving van [locatie sub 2] volgens de raad niet uitzonderlijk. Ten aanzien van het ontbreken van een archeologisch onderzoeksrapport stelt de raad dat de bescherming van de eventuele aanwezige archeologische waarden voldoende in het plan is gewaarborgd als gevolg van het opnemen van een aanduiding.

2.2.2. Het perceel aan het [locatie sub 2] is bestemd als "Wonen" en "Tuin" met de aanduiding 'archeologische waarden'.

Ingevolge artikel 15.2.2, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat nieuwbouw van woningen niet is toegestaan met uitzondering van vervangende nieuwbouw dan wel nieuwbouw op percelen als genoemd in de "Lijst van Nieuwbouwmogelijkheden".

Ingevolge de als bijlage bij de regels gevoegde "Lijst van Nieuwbouwmogelijkheden" is binnen het plan nieuwbouw van één woning op de locatie [locatie sub 2] mogelijk.

Ingevolge artikel 15.2.2, aanhef en onder h, sub 1, mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen voor hoofdgebouwen in de vorm van vrijstaande bebouwing aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m.

Ingevolge artikel 15.2.4, onder a, dient voor het bouwen overeenkomstig de regels ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden' de aanvrager van een reguliere bouwvergunning, voor bouwwerken een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 15.2.4, onder b, kan het college van burgemeester en wethouders, indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning zullen of kunnen worden verstoord, één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning:

1. de verplichting tot het treffen technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het college van burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

2.2.3. Ter zitting hebben [appelant sub 2] en anderen een betoog gehouden omtrent de verontreiniging van de bodem van het perceel [locatie sub 2]. Deze beroepsgrond hebben zij niet eerder naar voren gebracht. Nu [appelant sub 2] en anderen deze beroepsgrond eerst ter zitting hebben aangevoerd en niet is gebleken dat zij deze grond niet eerder hebben kunnen aanvoeren, dient deze grond met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.

2.2.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Dorplein West" was het perceel bestemd als "Eensgezinshuizen Bungalows Klasse 2". Op grond van artikel 5, lid A, onder I, van de planvoorschriften van het voorheen geldende plan was het reeds mogelijk om op het perceel aan [locatie sub 2] twee vrijstaande eengezinswoningen te realiseren, mits werd voldaan aan de nader in het voorheen geldende plan omschreven voorwaarden. Zo diende ingevolge dit artikel van de planvoorschriften de breedte van een bouwperceel ten minste 25 m te bedragen en de afstand van een woning tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 4 m te bedragen.

2.2.5. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een door [appelant sub 2] en anderen vermeende onaanvaardbare verdichting en grote inbreuk op het open karakter van het perceel zelf en de omgeving geen sprake is. Hierbij is van belang dat het plan regelt dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen aan beide zijden niet minder mag bedragen dan 3 m. Als gevolg hiervan dient de minimale afstand tussen de twee woningen op het perceel minimaal 6 m te bedragen. Deze afstand acht de Afdeling, gelet op de afstanden tussen de bestaande bebouwing, niet onredelijk. In zoverre ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de bouw van een extra woning op het perceel [locatie sub 2] zowel planologisch als stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is. Voorts bestaat geen grond voor de verwachting dat de eventuele aantasting van de privacy en de eventuele waardevermindering van de woningen van [appelant sub 2] en anderen zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Met betrekking tot de archeologische waarden overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de eventuele op het perceel aanwezige waarden in voldoende mate zijn beschermd door middel van artikel 15.2.4 van de planregels, waardoor bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen ter realisering van de woning een archeologisch onderzoeksrapport dient te worden overgelegd en het college van burgemeester en wethouders voorwaarden aan deze omgevingsvergunning kan verbinden met het oog op de bescherming van de aanwezige archeologische waarden. [appelant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de eventuele aanwezige archeologische waarden door middel van deze planregeling niet voldoende worden beschermd.

2.3. In hetgeen [appelant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat het perceel [locatie sub 2] betreft strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appelant sub 2] en anderen is ongegrond.

De beroepen van [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4]

2.4. De beroepen van [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] zijn gericht tegen het plandeel met de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin - theetuin’ dat betrekking heeft op het perceel aan de [locatie sub 1] te [plaats]. Door deze aanduiding wordt de voorheen op het perceel aanwezige theetuin als zodanig bestemd.

[appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] betogen dat omtrent het plan besloten is in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu de in de eerste door hen ontvangen Nota van Zienswijzen door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) gemotiveerd is weergegeven waarom de theetuin niet wordt toegestaan in het plan en vervolgens de raad de Nota van Zienswijzen aangepast heeft vastgesteld en heeft besloten de theetuin wel in het plan toe te staan. Dit is voorts niet voldoende door de raad gemotiveerd.

Daarnaast betogen [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] dat door de bestemming van de theetuin het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Volgens hen is sprake van een gegronde vrees voor geluidoverlast, parkeeroverlast en een gebrek aan privacy. Deze overlast hebben zij reeds eerder ervaren in de periode dat de theetuin niet legaal werd geëxploiteerd in dezelfde vorm zoals thans in het plan is opgenomen en het gemeentebestuur meer dan éénmaal heeft nagelaten om handhavend op te treden tegen de niet-legale situatie. Ten onrechte is geen onderzoek gedaan naar de overlast van stemgeluiden op het terras en geluiden veroorzaakt door het komen en gaan van bezoekers en naar de verkeers- en parkeeroverlast. Voorts heeft geen afweging tussen de belangen van [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] en de belangen van de bedrijfsmatige exploitatie van de theetuin plaatsgevonden, waarbij van belang is dat er een aantal andere locaties voorhanden is die geen overlast veroorzaken voor de omgeving.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de theetuin planologisch aanvaardbaar is op het perceel gelegen aan de [locatie sub 1]. Zowel in de rapportage van het onderzoeksbureau Peutz met als onderwerp "akoestische aspecten Theetuin", van 9 februari 2009, als in de rapportage van onderzoeksbureau Goudappel Coffeng met als onderwerp "verkeerskundige beoordeling Jorinde's theetuin", van 17 februari 2009, is aangetoond dat er geen bezwaren verbonden zijn aan de theetuin op milieutechnisch gebied, waaronder ten aanzien van geluid-, parkeer- en verkeeroverlast. Van aantasting van de privacy van omwonenden is geen sprake, nu de erfafscheidingen tussen de tuinen 2 m hoog mogen zijn. Deze hoogte moet voldoende zijn om de tuinen onderling van elkaar af te schermen en de privacy voldoende te waarborgen.

Daarnaast brengt de raad naar voren dat de in het plan geformuleerde regels en de begripsbepaling van theetuin een algemene regeling geven die passend is bij een kleinschalige en ondergeschikte voorziening als de theetuin. Het gaat om een theetuin met een kleinschalig en ondergeschikt karakter ten aanzien van de hoofdbestemmingen van het perceel, te weten "Wonen" en "Tuin".

Volgens de raad zijn de regels in het plan zodanig geformuleerd dat de eventuele overlast als gevolg van de theetuin voor de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt. Zo zijn de periode waarbinnen de theetuin mag worden geëxploiteerd en de openingstijden van de theetuin beperkt. Voorts zijn in de reeds verleende exploitatievergunning aanvullende voorwaarden gesteld, zoals het niet ten gehore brengen van muziek en het maximum aantal bezoekers, aldus de raad.

2.4.2. Het perceel aan de [locatie sub 1] is bestemd als "Wonen" en "Tuin", met de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin - theetuin’.

Ingevolge artikel 15.1 van de planregels zijn de voor "Wonen" bestemde gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. aan-huis-verbonden beroepen;

c. bedrijven, categorie 1 en 2 in de Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf';

d. een kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';

e. parkeervoorzieningen;

f. tuinen, erven en verharding;

g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

alsmede voor:

h. de instandhouding en bescherming van een rijksmonument ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-rijksmonument'.

Ingevolge artikel 12.1 zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;

b. een theetuin, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin - theetuin’;

c. parkeervoorzieningen;

d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 12.3.2. mag ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin - theetuin’ een theetuin worden geëxploiteerd, met dien verstande dat detailhandel niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 1, voor zover hier van belang, wordt in de planregels onder een theetuin verstaan een kleinschalige horecagelegenheid die is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van niet-alcoholhoudende dranken, met openingstijden gedurende de dagperiode in het kampeerseizoen (15 maart - 31 oktober).

2.4.3. [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] stellen zich op het standpunt dat de theetuin een onaanvaardbare hinder veroorzaakt voor de omgeving. Gelet op de omstandigheid dat de theetuin een kleinschalige en ondergeschikte horecagelegenheid betreft, die alleen in de dagperiode in de periode 15 maart - 31 oktober geopend mag zijn en, zoals door de raad ter zitting onweersproken is gesteld, beperkt is in het maximum aantal toelaatbare personen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voor de omwonenden te verwachten hinder ten aanzien van met name de aspecten verkeer, parkeren, privacy en geluid niet onaanvaardbaar groot is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat enerzijds de tuin waarin de theetuin is gesitueerd zodanig van omvang is - ongeveer 700 m² - dat de bezoekers van de theetuin over deze omvangrijke oppervlakte kunnen worden verspreid en dat anderzijds de tuinen van de omwonenden eveneens een met de theetuin vergelijkbare omvang hebben, waardoor door de bewoners zelf, bij het verblijven in hun tuin, ook een bepaalde afstand tot de theetuin kan worden gecreëerd.

Mede gelet op de reeds verleende exploitatievergunning waarin voorwaarden zijn gesteld om eventuele hinder zoveel mogelijk te beperken, zodat onder andere in de theetuin geen muziek ten gehore mag worden gebracht, acht de Afdeling de door de raad gemaakte belangenafweging, die is uitgemond in de opname van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - theetuin' op het perceel aan de [locatie sub 1] te [plaats], niet onredelijk.

2.4.4. Over het betoog van [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan niet bij het college berust, maar bij de raad. Voor zover [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] bepaalde verwachtingen hebben ontleend aan een door het college opgestelde Nota van Zienswijzen, was de raad niet gehouden die verwachtingen te honoreren. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.5. In hetgeen [appelant sub 1] en anderen, [appelant sub 3] en [appelant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

288-679.