Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7763

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201007889/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om voor 4 november 2008 de losse stukken metselwerk of leembrokken welke direct gevaar kunnen opleveren, uit de topgevel van het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) te verwijderen (onderdeel 1) en deze topgevel voor 25 november 2008 zodanig te restaureren of te herstellen dat het uitvallen van losse brokken metselwerk of leem niet meer mogelijk zal zijn (onderdeel 2).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4666
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007889/1/H1.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juli 2010 in zaak

nr. 09/504 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om voor 4 november 2008 de losse stukken metselwerk of leembrokken welke direct gevaar kunnen opleveren, uit de topgevel van het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) te verwijderen (onderdeel 1) en deze topgevel voor 25 november 2008 zodanig te restaureren of te herstellen dat het uitvallen van losse brokken metselwerk of leem niet meer mogelijk zal zijn (onderdeel 2).

Bij besluit van 5 november 2008 heeft het college dit besluit gewijzigd, in die zin dat [appellant] onderdeel 1 moet uitvoeren voor 6 november 2008 om 14.00 uur.

Bij besluit van 16 februari 2009 heeft het college het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard ten aanzien van onderdeel 1 van het besluit van 27 oktober 2008, gegrond verklaard ten aanzien van onderdeel 2 van het besluit van 27 oktober 2008 en het besluit van 27 oktober 2008 geheel ingetrokken.

Bij uitspraak van 2 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 september 2010.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, advocaat te Meerssen, en het college, vertegenwoordigd door G.E.G. Hoen, mr. I.E.H.E. Teunissen en H.H.G. Reinaerts, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 100 van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, dragen burgemeester en wethouders zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV.

Ingevolge artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder a, is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, worden bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.

Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 heeft een bestaand bouwwerk een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden, nu van een gevaarzettende situatie voor omwonenden geen sprake was.

2.2.1. Naar aanleiding van een melding van [belanghebbende] heeft de toezichthouder van de afdeling Bouwen en Wonen een controle uitgevoerd naar de bouwkundige staat van de gevel van het pand. Uit het rapport van de toezichthouder van 23 oktober 2008 volgt dat de bestaande invulling van het vakwerk van het pand op meerdere plaatsen los ligt in het spant. De bouwconstructie van de gevel is door deze losliggende onderdelen onveilig. Door het uitvallen van losliggende bouwmaterialen in het vakwerk kunnen gebruikers van het poortgebouw, dat onder deze gevel is gelegen, ernstig letsel oplopen. Gelet op dit rapport heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een gevaarzettende situatie voor omwonenden. De door [appellant] overgelegde verklaring van [persoon] van 14 november 2008 behoefde geen aanleiding te geven voor een ander oordeel, nu, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, daaruit volgt dat de mogelijkheid van het uitvallen van losliggende onderdelen, met name door ernstige trillingen als gevolg van (zwaar) verkeer, nooit geheel is uit te sluiten. Het door [appellant] in hoger beroep overgelegde rapport van architectenbureau Boudewijn Laugs van 1 juni 2010 en het bouwcontrolerapport van de toezichthouder van de afdeling Bouwen en Wonen van 25 augustus 2010 geven voorts geen aanleiding voor een ander oordeel, nu in deze rapporten geen beoordeling is gegeven van de vakwerkgevel ten tijde van de bestuursdwangaanschrijving, maar nadat daaraan tijdelijke maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van een gevaarzettende situatie voor omwonenden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

2.3. Ter zitting heeft [appellant] zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft besloten om hem geen vergoeding toe te kennen van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, ingetrokken.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene is voor een schadevergoeding, als bedoeld in artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals door [appellant] is verzocht, geen plaats.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

ll. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

531.