Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201007637/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 13 oktober 2009 heeft het college [appellant] en anderen medegedeeld dat het gebruik van het pand aan de Industrieweg 8-10 te Woerden voor detailhandel in de breedste zin van het woord niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de in 1998 voor de vestiging van een supermarkt verleende vrijstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007637/1/H1.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A], gevestigd te [plaats],

[appellante B], wonend te Woerden,

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Aldi Vastgoed B.V., gevestigd te Culemborg, en Action Non Food B.V., gevestigd te Zwaagdijk,

appellanten, (hierna tezamen: [appellant] en anderen)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) van 7 juli 2010 in de zaken nrs. 09/3616 en 10/1745 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij brief van 13 oktober 2009 heeft het college [appellant] en anderen medegedeeld dat het gebruik van het pand aan de Industrieweg 8-10 te Woerden voor detailhandel in de breedste zin van het woord niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de in 1998 voor de vestiging van een supermarkt verleende vrijstelling.

Bij mondelinge uitspraak van 7 juli 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 15 juli 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep

niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Zij hebben nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, werkzaam bij Juridisch en Bestuurlijk Adviescentrum B.V. te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door A.S. Barelds en G.C.M. Verkleij, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen betogen dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat de brief van het college van 13 oktober 2009 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudt, heeft miskend dat die brief een voor beroep vatbaar rechtsoordeel bevat, nu het voor hen onevenredig bezwarend is om op andere wijze zekerheid te verkrijgen over de betekenis van de verleende vrijstelling, nu een verzoek om een projectbesluit te nemen dan wel ontheffing te verlenen, te veel tijd in beslag zal nemen en in 1998 een vrijstelling is verleend, op grond waarvan detailhandel in het pand is toegestaan. Van hen kan voorts niet worden gevergd dat zij een handhavingsbesluit van het college uitlokken, aldus [appellant] en anderen.

2.1.1. De wetgever heeft beroep bij de bestuursrechter slechts opengesteld tegen besluiten, gericht op enig rechtsgevolg. Tegen rechtsoordelen staat daarom in beginsel geen beroep open.

De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat de brief van 13 oktober 2009 geen besluit inhoudt, waartegen beroep openstaat. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat wanneer een bestuursorgaan los van een aanvraag om ontheffing desverzocht een oordeel geeft over de vraag of bepaald gebruik al dan niet in overeenstemming is met de voorschriften van het bestemmingsplan, dan wel een hiervan verleende vrijstelling, dit oordeel in beginsel niet op het in het leven roepen van enig rechtsgevolg is gericht. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht geen grond gevonden om daar in dit geval anders over te oordelen, nu [appellant] en anderen het antwoord op de vraag naar de reikwijdte van de bij besluiten van 15 april en 25 augustus 1998 verleende vrijstelling in rechte desgewenst beoordeeld zouden kunnen krijgen door een verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan te doen, dan wel een verzoek om een projectbesluit te nemen en in dat kader kunnen aanvoeren dat het gebruik dat zij van het pand wensen te maken is toegestaan bij de in 1998 verleende vrijstelling. Dat die procedures, als gesteld, veel tijd in beslag kunnen nemen, heeft de voorzieningenrechter terecht onvoldoende geacht voor het oordeel dat het volgen ervan voor [appellant] en anderen onevenredig bezwarend is.

2.1.2. Gelet op voorgaande, is de overweging in de aangevallen uitspraak dat de vrijstelling geen generiek karakter heeft en inmiddels is geƫxpireerd louter ten overvloede gegeven en hebben [appellant] en anderen geen belang bij de door hen tegen die overweging voorgedragen beroepsgronden.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

357-604.