Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
201005268/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2009 heeft de raad de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] tot wijziging van het bestemmingsplan voor het perceel [locatie] te Hoogerheide afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/96 met annotatie van R. Ortlep
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4688
JOM 2011/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005268/1/R3.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], [appellant C] en [appellante D], wonend, onderscheidenlijk gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Woensdrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2009 heeft de raad de aanvraag van [appellant A] en [appellant B] tot wijziging van het bestemmingsplan voor het perceel [locatie] te Hoogerheide afgewezen.

Bij besluit van 25 februari 2010, nr. 2010-019, heeft de raad het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B], [appellant C] en [appellante D] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B], [appellant C] en [appellante D] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2011, waar [appellant A] en [appellant C], bijgestaan door mr. H.E. Goedegebuur, advocaat te Bergen op Zoom, en de raad, vertegenwoordigd door ir. S.F.A.M. Brooijmans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante D] en [appellant C] hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van de raad van 12 februari 2009. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Zij kunnen daarom, gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), geen beroep instellen tegen het op bezwaar genomen besluit. Het beroep is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellante D] en [appellant C].

2.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) is aan het perceel [locatie] de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" met de aanduiding "niet-buitengebied gebonden bedrijf/functie (NG)" toegekend.

Ingevolge artikel 2.3 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor de handhaving van de bestaande bedrijven/functies conform de "Staat van niet-agrarische bedrijven/functies". Op grond hiervan is op het perceel [locatie] een transportbedrijf toegelaten.

In artikel 2.3, onder c, wordt ten aanzien van het gebruik van gronden en opstallen artikel 0.6 van toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 0.6, eerste lid, is het verboden de in dit plan begrepen gronden en daarop voorkomende opstallen te gebruiken, in gebruik te nemen of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze, die strijdig is met de bestemming.

Ingevolge artikel 0.6, tweede lid, wordt als met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruiken van onbebouwd blijvende gronden of het gebruik van opstallen voor doeleinden van handel of bedrijf, tenzij expliciet toegestaan.

Ingevolge artikel 0.6, derde lid, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in lid 1 van dit artikel indien een strikte toepassing van deze bepaling zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Ingevolge artikel 3.3.6, voor zover hier van belang, geldt bij veranderingen binnen de categorie "niet-buitengebied gebonden" van de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" onder meer de voorwaarde dat detailhandel niet is toegestaan.

2.3. [appellant A] en [appellant B] hebben de raad gevraagd het bestemmingsplan voor het perceel [locatie] te herzien ten behoeve van de vestiging van een tuinhoutbedrijf met detailhandel en zij kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit, waarbij hun bezwaarschrift ongegrond is verklaard en de afwijzing van hun aanvraag is gehandhaafd.

2.4. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat het meest doelmatige gebruik ter plaatse detailhandel is en dit op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, stelt de Afdeling vast dat artikel 0.6, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften het gebruik van het perceel voor (detail)handel verbiedt. Van dit verbod kan op grond van het derde lid vrijstelling worden verleend, indien strikte toepassing van het eerste lid leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. Van een beperking van het meest doelmatige gebruik is eerst sprake, indien een zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming niet meer mogelijk is. De raad heeft zich in het kader van de aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, daargelaten of de bestemming "Niet-agrarische bedrijven/functies" met de aanduiding "niet-buitengebied gebonden bedrijf/functie (NG)" ten tijde van het bestreden besluit een zinvol gebruik van het perceel mogelijk maakte, een beroep op beperking van het meest doelmatige gebruik ter plaatse niet reeds met zich brengt dat detailhandel mogelijk dient te worden gemaakt.

2.5. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat het perceel is gekocht naar aanleiding van een toezegging van een ambtenaar, inhoudende dat het bestemmingsplan zou worden herzien ten behoeve van de door hen gewenste ontwikkeling, slaagt evenmin. In dit verband is van belang dat de bevoegdheid tot het herzien van een bestemmingsplan niet berust bij een ambtenaar, maar bij de raad, en dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan een toezegging die is gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden, behoudens indien deze aan het bevoegde bestuurorgaan kan worden toegerekend. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk hebben gemaakt dat door een ambtenaar een toezegging is gedaan, die aan de raad kan worden toegerekend. De raad heeft het bestreden besluit niet in strijd met het vertrouwensbeginsel genomen.

2.6. Ten aanzien van de door [appellant A] en [appellant B] gemaakte vergelijking met de percelen Kooiweg 23a, Voltweg 7-9, Putseweg 31, Kooiweg 3 en Oude Stee 19 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Dit omdat Kooiweg 23a en Voltweg 7-9 binnen de bebouwde kom op het bedrijventerrein de Kooi liggen, de detailhandelsactiviteiten aan de Putseweg 31 vallen onder het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, het bedrijf aan de Kooiweg 3 een agrarisch-verwant hoveniersbedrijf is en het perceel Oude Stee 19 is gesitueerd aan de rand van de kern. Ter zitting is echter vast komen te staan dat de afstand van het perceel Oude Stee 19 tot de bebouwde kom niet wezenlijk kleiner is dan de afstand van het perceel Kooiweg 31 tot de bebouwde kom en dat in beide gevallen geen sprake is van zichtbaar aanwezige samenhangende bebouwing. Voorts heeft de raad desgevraagd niet kunnen weerspreken dat het bedrijf op het perceel Oude Stee 19 een concurrent van het bedrijf van [appellant A] en [appellant B] is met vrijwel dezelfde bedrijfsactiviteiten. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat niet inzichtelijk is waarom de situatie bij het perceel Oude Stee 19 zodanig verschilt van de voorliggende situatie dat van gelijke gevallen geen sprake zou kunnen zijn.

2.6.1. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en [appellante D], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Woensdrecht van 25 februari 2010, nr. 2010-019;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Woensdrecht tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Woensdrecht aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

459-682.