Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
201007028/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de enige grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat uit de uitgebrachte BMA-adviezen niet blijkt of voor de vreemdeling in Armenië een steunsysteem aanwezig wordt geacht, niet heeft onderkend dat het BMA in het advies van 17 maart 2010 heeft aangegeven dat de vreemdeling in Nederland participeert in een lotgenotengroep en dat in dit advies, met het oog op de medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst, is vermeld dat aldaar groepstherapie beschikbaar is. Ter toelichting op zijn standpunt dat in dit geval volgens het BMA met de beschikbaarheid van groepstherapie is voldaan aan de door het BMA, ook in het advies van 9 december 2009, noodzakelijk geachte aanwezigheid van een steunsysteem, heeft de minister voorts gewezen op de in de brief van de behandelend psychiater van de vreemdeling, A.J.E. Bosman, van 8 maart 2010 voorkomende woorden 'steun en begeleiding in een lotgenotengroep'.

Nu de minister de besluiten van 8 en 9 april 2010 mede heeft doen steunen op het BMA-advies van 17 maart 2010 en het BMA in dit advies, dat op zijn beurt steunt op voormelde brief van 8 maart 2010, de vraag naar de beschikbaarheid van de noodzakelijk geachte medische behandeling in het land van herkomst concreet en bevestigend heeft beantwoord, heeft de minister, anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, op goede gronden besloten dat de voor de vreemdeling noodzakelijk geachte behandeling, in combinatie met een steunsysteem, in het land van herkomst kan plaatsvinden door het volgen van groepstherapie, zodat er bij terugkeer naar dat land geen medische noodsituatie zal ontstaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007028/1/V1.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 23 juni 2010 in

zaak nrs. 10/13981 en 10/13291 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en haar verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) eveneens afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2010 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 9 april 2010 heeft de minister dat besluit aangevuld en te kennen gegeven dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 wordt voldaan. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 23 juni 2010, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien een vreemdeling niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) beschikt die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: het mvv-vereiste).

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien een vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt.

Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. Voor deze vrijstelling van het mvv-vereiste dient beoordeeld te worden of de vreemdeling in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en in staat kan worden geacht daar de behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling.

Volgens paragraaf B8/3.2 kan ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 vrijstelling worden verleend van het mvv-vereiste indien de terugkeer van de vreemdeling in verband met de medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Onder een medische noodsituatie wordt volgens paragraaf B8/3.1 verstaan de situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder 'op korte termijn' wordt verstaan binnen drie maanden.

Volgens paragraaf B8/5 stelt in sommige gevallen de medisch adviseur vast dat een bepaalde medische behandeling slechts kans van slagen heeft indien de betrokken vreemdeling kan terugvallen op een zogeheten 'mantelzorgnetwerk'. Hiermee wordt bedoeld dat de aard van de aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden, met name familieleden of vrienden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn, tenzij de medisch adviseur dat nadrukkelijk aangeeft.

Volgens paragraaf B8/10 wordt in het kader van de behandeling van aanvragen voor het ondergaan van medische behandeling dan wel vanwege een medische noodsituatie ambtshalve beoordeeld of de uitzetting op grond van artikel 64 achterwege dient te blijven. Dat is het geval indien:

- het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) aangeeft dat het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of

- de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en

- de medische behandeling van de desbetreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en

- de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren.

Volgens paragraaf A4/7.4 kan het voorkomen dat het BMA in zijn advies aangeeft dat de vreemdeling in staat is om te reizen, doch dat dit onder bepaalde voorwaarden dient te geschieden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een voorraad aan medicijnen van de vreemdeling tijdens en na de reis of het meenemen van medische gegevens. De Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: de DT&V) ziet erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet.

2.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling hier te lande voor haar psychische klachten onder behandeling staat van een psychiater en een GGZ-verpleegkundige gespecialiseerd in de behandeling van psychotrauma, medicatie krijgt, participeert in een lotgenotengroep en specifieke therapie ontvangt voor psychotrauma. Evenmin is in geschil dat de vraag aan het BMA of het uitblijven van voormelde behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, in dit geval zelfdoding, door het BMA bevestigend is beantwoord. In dit verband heeft de opsteller van het advies van het BMA van 9 december 2009 op de vraag of de vreemdeling, die een alleenstaande vrouw is en geen personen in haar omgeving heeft om haar te ondersteunen, gelet op haar medische problematiek is aangewezen op dan wel afhankelijk is van mantelzorg, geantwoord dat uit de thans beschikbare medische informatie niet blijkt dat betrokkene moet worden verzorgd. Wel is duidelijk uit de ernst van de psychiatrische problematiek dat betrokkene een zogeheten steunsysteem nodig heeft om de behandeling te doen slagen en een goede mentale gezondheid te herkrijgen. Het is, aldus het BMA in dat advies, niet duidelijk of zij in het land van herkomst dan wel het land van bestemming zal kunnen beschikken over een dergelijk steunsysteem. Voorts heeft het BMA bij de vermelding dat de behandelmogelijkheden voor de vreemdeling aldaar in medisch-technische zin in voldoende mate aanwezig zijn en de medicatie of gelijkwaardige vervangende medicatie verkrijgbaar is, de kanttekening geplaatst dat voor het welslagen van de psychiatrische behandeling optimale leefomstandigheden, waaronder de aanwezigheid van een steunsysteem, van grote invloed zijn. Volgens het BMA in zijn advies van 17 maart 2010 is sprake van een zeer hoog suïciderisico bij uitblijven van behandeling in geval van terugkeer naar Armenië. Benadrukt wordt dat de behandeling van de vreemdeling dient te worden gecontinueerd tot aan vertrek, zij tijdens de reis moet worden begeleid door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en bij aankomst op het vliegveld moet worden overgedragen aan een psychiater ter plaatse die de behandeling kan overnemen. De huidige behandelomgeving, zoals een lotgenotengroep, gesprekken met behandelaars en medicatie, hebben een preventief effect ten aanzien van zelfdoding. Wat de medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst betreft, is echter groepstherapie aldaar beschikbaar.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de noodzakelijk geachte medische behandeling van de vreemdeling, in combinatie met een steunsysteem als bedoeld in de genoemde BMA-adviezen, kan plaatsvinden in haar land van herkomst.

2.3. In de enige grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat uit de uitgebrachte BMA-adviezen niet blijkt of voor de vreemdeling in Armenië een steunsysteem aanwezig wordt geacht, niet heeft onderkend dat het BMA in het advies van 17 maart 2010 heeft aangegeven dat de vreemdeling in Nederland participeert in een lotgenotengroep en dat in dit advies, met het oog op de medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst, is vermeld dat aldaar groepstherapie beschikbaar is. Ter toelichting op zijn standpunt dat in dit geval volgens het BMA met de beschikbaarheid van groepstherapie is voldaan aan de door het BMA, ook in het advies van 9 december 2009, noodzakelijk geachte aanwezigheid van een steunsysteem, heeft de minister voorts gewezen op de in de brief van de behandelend psychiater van de vreemdeling, A.J.E. Bosman, van 8 maart 2010 voorkomende woorden 'steun en begeleiding in een lotgenotengroep'.

2.3.1. Nu de minister de besluiten van 8 en 9 april 2010 mede heeft doen steunen op het BMA-advies van 17 maart 2010 en het BMA in dit advies, dat op zijn beurt steunt op voormelde brief van 8 maart 2010, de vraag naar de beschikbaarheid van de noodzakelijk geachte medische behandeling in het land van herkomst concreet en bevestigend heeft beantwoord, heeft de minister, anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, op goede gronden besloten dat de voor de vreemdeling noodzakelijk geachte behandeling, in combinatie met een steunsysteem, in het land van herkomst kan plaatsvinden door het volgen van groepstherapie, zodat er bij terugkeer naar dat land geen medische noodsituatie zal ontstaan.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zullen de besluiten van 8 en 9 april 2010 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. De beroepsgrond dat de minister heeft miskend dat de BMA-advisering niet volledig is, omdat een als veilig en stabiel ervaren omgeving ook een essentiële voorwaarde is om behandeling in Armenië mogelijk te maken, faalt. In het door het BMA op 14 april 2009 uitgebrachte advies is op verzoek van de Immigratie en Naturalisatiedienst uitdrukkelijk op deze vraagstelling ingegaan en is geconcludeerd dat het stellen van een dergelijke behandelvoorwaarde niet aan de orde was. De minister heeft zich ervan vergewist dat behandeling in Armenië mogelijk is en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling gestelde noodzaak van de aanwezigheid van een veilige omgeving niet is terug te voeren op de BMA-adviezen. Onder deze omstandigheden had het, zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 25 juli 2006 in zaak nr. 200601304/1; JV 2006/351 en van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1; www.raadvanstate.nl) op de weg van de vreemdeling gelegen een eigen onafhankelijk deskundigenadvies te laten uitbrengen, zoals aangekondigd in de brief van 7 juni 2010. Dat is niet gebeurd, ook niet hangende de hoger-beroepsfase. De door de vreemdeling overgelegde brief van haar behandelaars van 29 april 2010 leidt niet tot een ander oordeel, omdat die brief niet door een onafhankelijk deskundige is opgesteld en voorts een herhaling van standpunten ten opzichte van de eerdere brieven van de behandelaars inhoudt, die in de BMA-adviezen zijn verdisconteerd.

Voor zover de vreemdeling met haar betoog dat behandeling in Armenië niet kan worden losgezien van de omstandigheid dat zij dat land als onveilig beschouwt en dat situaties die door ernstig zieke mensen als instabiel en onveilig worden beschouwd contraproductief werken op het genezingsproces, een beroep doet op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) kan dat niet tot het door haar beoogde gevolg leiden, reeds omdat de minister in de besluiten van 8 en 9 april 2010 terecht heeft geconcludeerd dat de ziekte waaraan de vreemdeling lijdt zich niet in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt, zodat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer in dat land een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

2.6. De stelling van de vreemdeling dat de haar voorgeschreven medicatie dan wel equivalenten daarvan in Armenië niet verkrijgbaar zijn, leidt evenmin tot het daarmee beoogde doel, reeds omdat deze stelling niet is gestaafd.

2.7. Bij brieven van 28 mei, 1 en 7 juni 2010 en ter zitting bij de voorzieningenrechter klaagt de vreemdeling dat de minister in strijd met artikel 7:9 van de Awb heeft gehandeld door na de hoorzitting van 4 maart 2010 een nieuw advies van het BMA in te winnen en op basis van dit advies de besluiten te nemen zonder haar in de gelegenheid te stellen op het desbetreffende advies van 17 maart 2010 te reageren.

2.7.1. Omdat de minister de besluiten van 8 en 9 april 2010 heeft genomen zonder de vreemdeling vooraf in kennis te stellen van het BMA-advies van 17 maart 2010 en dit advies van aanmerkelijk belang is geweest voor het nemen van die besluiten, zijn die besluiten in strijd met artikel 7:9 van de Awb tot stand gekomen en kunnen zij daarom niet in stand blijven.

Het betoog slaagt.

2.8. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2009 in zaak nr. 200805014/1 (www.raadvanstate.nl) betoogt de vreemdeling voorts dat de minister in strijd met zijn vergewisplicht heeft gehandeld door niet reeds bij het nemen van de besluiten van 8 en 9 april 2010 te onderzoeken of wordt voldaan aan de door het BMA gestelde voorwaarde van fysieke overdracht van de vreemdeling aan de behandelaars op de plaats van bestemming.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 1 december 2010 in zaak nr. 201002688/1/V3 en 27 januari 2011 in zaak nr. 201004712/1/V1; www.raadvanstate.nl), dient de minister zich reeds bij de beoordeling of artikel 64 van de Vw 2000 op een vreemdeling van toepassing is, ervan te vergewissen dat het mogelijk is dat bij de daadwerkelijke verwijdering van de desbetreffende vreemdeling aan de door het BMA aan de uitzetting verbonden voorwaarden wordt voldaan en dat niet kan uitstellen tot het moment waarop daadwerkelijk tot verwijdering wordt overgegaan. Voorts volgt uit deze uitspraken dat, indien de minister in het onderliggende besluit inzichtelijk heeft gemaakt met welke concreet bij naam genoemde behandelaars dan wel instellingen vóór uitzetting van de desbetreffende vreemdeling contact zal worden opgenomen teneinde aan de door het BMA gestelde voorwaarde van fysieke overdracht te voldoen en de minister in dat besluit tevens heeft toegezegd dat die vreemdeling niet zal worden uitgezet ingeval de fysieke overdracht niet kan worden geregeld, hij aan vorenbedoelde vergewisplicht heeft voldaan. Deze vergewisplicht strekt evenwel niet zover dat de fysieke overdracht reeds ten tijde van de totstandkoming van dat besluit, voor zover dit feitelijk al mogelijk is, geregeld en gegarandeerd dient te zijn.

2.8.2. Blijkens de besluiten van 8 en 9 april 2010 heeft de minister zich door de DT&V laten informeren over de door het BMA gestelde reisvoorwaarden en de mogelijkheid van overdracht en directe voorzetting van de behandeling van de vreemdeling. Voordat de fysieke overdracht plaatsvindt wordt de medische overdracht geregeld door de DT&V. Als de medische overdracht niet kan worden geregeld, zal de vreemdeling niet worden uitgezet. De medische overdracht wordt geregeld door de Afdeling Bijzonder Vertrek van de DT&V, in die zin dat voor de uitzetting contact zal worden gelegd met de toekomstige behandelaars op de plaats van bestemming. Met die behandelaars worden afspraken gemaakt over de datum en de wijze waarop de medische behandeling wordt overgedragen. Met betrekking tot de vreemdeling is aldus bepaald dat er bij terugkeer een fysieke overdracht zal plaatsvinden aan de behandelaars op de plaats van bestemming en dat, wanneer dit niet kan worden geregeld, zij niet zal worden uitgezet.

2.8.3. In de besluiten van 8 en 9 april 2010 heeft de minister echter geen concreet bij naam genoemde behandelaars dan wel instellingen vermeld. Dat de minister in het verweerschrift in de procedure bij de rechtbank ter toelichting op de besluiten heeft gesteld dat de Armeense autoriteiten op de hoogte zullen worden gesteld van de komst van de vreemdeling en op de dag van aankomst op de luchthaven te Yerevan klaar zullen staan met een arts die de vreemdeling zal checken en vervolgens zal opvangen, kan daaraan niet afdoen. Mede gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 22 februari 2011 in zaak nr. 201004254/1/V1 (www.raadvanstate.nl) heeft de minister met voormelde toelichting niet inzichtelijk gemaakt met welke behandelaars dan wel instellingen vóór de uitzetting van de vreemdeling contact zal worden opgenomen ten behoeve van de overdracht en evenmin of kan worden voldaan aan de door het BMA gestelde voorwaarde dat de vreemdeling wordt overgedragen aan een psychiater die de hiervoor onder 2.3.1. bedoelde behandeling kan overnemen.

Het betoog slaagt.

2.9. Nu de hiervoor onder 2.7. en 2.8. vermelde gronden slagen, zal de Afdeling zal het beroep tegen de besluiten van 8 en 9 april 2010 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen.

2.10. De minister, thans de minister voor Immigratie en Asiel, dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 23 juni 2010 in zaak nr. 10/13291;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de minister van Justitie van 8 en 9 april 2010, kenmerk 0406-29-0176;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister voor Immigratie en Asiel aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 300,00 (zegge: driehonderd euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Groeneweg

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

32.

Verzonden: 9 maart 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser