Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201003952/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kleinfruitbedrijf en schapenhouderij op het perceel [locatie 1] (naast het perceel [locatie 2]) te Tricht. Dit besluit is op 12 maart 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3704
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003952/1/M2.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Tricht, gemeente Geldermalsen, en anderen, (hierna: [appellante] en anderen)

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kleinfruitbedrijf en schapenhouderij op het perceel [locatie 1] (naast het perceel [locatie 2]) te Tricht. Dit besluit is op 12 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2011, waar [appellante] en anderen, van wie [appellante] in persoon, bijgestaan door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door M.L.C. Laurey en S.T. de Hingh, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door R.J. Lievaart, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 13 augustus 2008 is aan [vergunninghouder] een oprichtingsvergunning verleend voor een kleinfruitbedrijf en schapenhouderij op het perceel [locatie 1]. Bij uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009, in zaak nr. 200807259/1/M2 is dit besluit vernietigd.

Bij het thans bestreden besluit heeft het college opnieuw beslist op de aanvraag die ook ten grondslag lag aan het vernietigde besluit van 13 augustus 2008 en een oprichtingsvergunning verleend voor onder meer het oprichten van een schapenstal waarin gedurende een aantal maanden per jaar 254 schapen worden gehouden.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellante] en anderen betogen dat moet worden gevreesd voor ammoniakschade aan de fruitbomen in de omgeving van de nieuw op te richten schapenstal. Zij voeren aan dat het college bij de beoordeling van de ammoniakschade ten onrechte is uitgegaan van het rapport van Plant Research International B.V. van 21 januari 2010 (hierna: PRI-rapport), dat in opdracht van het college is opgesteld. Volgens [appellante] en anderen is het PRI-rapport niet deugdelijk. Daartoe voeren zij allereerst aan dat in het PRI-rapport te weinig rekening is gehouden met de specifieke effecten van ammoniak op fruitbomen. Volgens [appellante] en anderen volgt uit het rapport van DLV Plant van 10 juni 2010, dat in opdracht van [appellante] en anderen is opgesteld en waarin het PRI-rapport is beoordeeld, dat de uitstoot van ammoniak invloed heeft op de rijping, kleuring en bewaarkwaliteit van fruit en ertoe leidt dat fruitbomen langer doorgroeien en ook in de winter ammoniakschade kunnen ondervinden. Vooral het appelras "Junami" is volgens het DLV-rapport hiervoor gevoelig, aangezien deze appels onder scherpe kwaliteitsvoorschriften op de markt worden gebracht, aldus [appellante] en anderen. Daarnaast voeren [appellante] en anderen aan dat in het PRI-rapport is uitgegaan van de ammoniakemissie gedurende een stalperiode van zes maanden, terwijl in de aanvraag en de vergunning de stalperiode niet is beperkt tot zes maanden en dus niet is uitgesloten dat de schapen langer in de stal worden gehouden. Ook is volgens [appellante] en anderen ten onrechte niet gekeken naar de ammoniakemissie van de mestopslag in de schapenstal. Verder voeren zij aan dat in het PRI-rapport geen rekening is gehouden met de natuurlijke ventilatie van de schapenstal waardoor de ammoniakemissies juist grotendeels dichtbij de schapenstal zullen neerslaan.

Voorts betogen [appellante] en anderen dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de effecten van de uitstoot van ammoniak op de appelboomgaard van [appellante] en anderen. Deze appelbomen van onder meer het ras "Junami" zijn op een afstand van 48 meter van de nieuw op te richten schapenstal en in de overheersende windrichting gelegen. Zij wijzen er voorts op dat in het PRI-rapport is vermeld dat ammoniakemissies neerslaan binnen een straal van 100 meter van de bron. Gelet daarop hadden volgens [appellante] en anderen de fruitbomen binnen een straal van 100 meter van de nieuw op te richten schapenstal in het onderzoek van PRI-rapport betrokken moeten worden.

2.4.1. Het college stelt zich ten aanzien van de fruitbomen van [appellante] en anderen op het standpunt dat voor ammoniakschade aan de bomen van [appellante] en anderen niet behoeft te worden gevreesd. Het college wijst er daarbij op dat de bomen op een afstand van meer dan 50 meter zijn gelegen van de nieuw op te richten schapenstal en dat daarmee wordt voldaan aan de minimaal aanbevolen afstanden in het Rapport "Stallucht en Planten 1981" dat betrekking heeft op intensieve veehouderijen met een veel hogere ammoniakemissie.

2.4.2. Volgens het rapport Stallucht en Planten kan directe schade door de uitstoot van ammoniak zich in de praktijk voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meergevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen, zoals fruitbomen, aanbevolen. Daarbij wordt uitgegaan van de afstand tot de dichtstbijzijnde gevel van de dichtstbijzijnde stal.

2.4.3. Het rapport Stallucht en Planten is opgesteld met het oog op directe ammoniakschade vanuit intensieve kippen- en varkenshouderijen. De Afdeling gaat er vanuit dat wanneer aan de daarin opgenomen afstandseisen wordt voldaan, er geen onaanvaardbare directe ammoniakschade optreedt vanuit een schapenstal. Vast staat dat de appelboomgaard van [appellante] is gelegen op circa 50 meter van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuw op te richten schapenstal. Nu wordt voldaan aan de in het rapport Stallucht en Planten minimaal voor fruitbomen aanbevolen afstand van 25 meter, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare ammoniakschade aan de appelbomen van [appellante] niet behoeft te worden gevreesd. Dat de fruitbomen volgens [appellante] en anderen in de overheersende windrichting zijn gelegen doet hieraan niet af.

Voorts overweegt de Afdeling dat het college, gelet op de in het rapport Stallucht en Planten aanbevolen afstanden, geen onderzoek behoefde te doen naar de effecten van ammoniakemissies op de fruitbomen die zijn gelegen binnen een straal van 100 meter van de nieuw op te richten schapenstal.

De beroepsgronden falen in zoverre.

2.4.4. Het college heeft ten aanzien van de dichtstbijzijnde fruitbomen van een andere eigenaar op 18 meter van de nieuw op te richten schapenstal advies gevraagd aan Plant Research International B.V. over de effecten van de uitstoot van ammoniak op deze fruitbomen. Dit advies is neergelegd in het eerder genoemde PRI-rapport.

2.4.5. In het PRI-rapport is vermeld dat het risico dat planten lopen om beschadigd te worden door ammoniak in de omgeving van een stal afhankelijk is van de emissie, verspreiding en gevoeligheid van de desbetreffende plantensoort. Volgens het PRI-rapport is de ammoniakemissie van de beoogde schapenstal zeer gering, namelijk ongeveer 356 kg NH3 per jaar, terwijl de ammoniakemissie uit intensieve kippen- en varkenshouderijen ongeveer 4.000-5.000 kg NH3 per jaar bedraagt. Daarnaast is vermeld dat de dichtstbijzijnde fruitbomen niet in de overheersende windrichting zijn gelegen. Verder wordt in het PRI-rapport nog opgemerkt dat effecten van ammoniak op fruitbomen vooral zijn te verwachten in het voorjaar en in de zomer wanneer de bomen fysiologisch actief zijn. In dit geval vindt de ammoniakemissie, anders dan bij intensieve veehouderijen, niet het gehele jaar plaats, maar alleen in de maanden september tot en met maart. In de winterperiode zijn volgens het PRI-rapport de bomen, vanwege het ontbreken van bladeren, minder gevoelig voor ammoniakemissie. Onder voornoemde omstandigheden is volgens het PRI-rapport het risico op ammoniakschade aan de fruitbomen die op een afstand van 18 meter van de nieuw op te richten schapenstal zijn gelegen, verwaarloosbaar te achten.

2.4.6. Het college stelt zich op het standpunt dat, gelet op de conclusies in het PRI-rapport, voor directe ammoniakschade aan de dichtstbijzijnde fruitbomen niet behoeft te worden gevreesd.

2.4.7. Niet in geschil is dat de dichtstbijzijnde fruitbomen zijn gelegen op een afstand van 18 meter van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuw op te richten schapenstal. Ten aanzien van de opmerkingen in het DLV-rapport over de effecten van ammoniak op fruitbomen, overweegt de Afdeling dat deze vooral zien op de bijzondere gevoeligheid van het appelras Junami. Nu, zoals in het PRI-rapport is vermeld, de fruitbomen die zijn gelegen op 18 meter van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuw op te richten schapenstal niet behoren tot het appelras Junami, kunnen deze opmerkingen in het DLV-rapport niet afdoen aan de conclusies in het PRI-rapport. Ook in hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd over de stalperiode, de mestopslag en de natuurlijke ventilatie van de schapenstal ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op de conclusies in het PRI-rapport heeft kunnen baseren.

Gelet op het voorgaande heeft het college het gekozen beschermingsniveau aanvaardbaar kunnen achten.

De beroepsgronden falen.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

431-590.