Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201008538/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college besloten om het Keern gesloten te verklaren voor motorvoertuigen vanaf het punt direct ten noorden van de aansluiting met de Provincialeweg over een lengte van circa 25 meter in noordelijke richting, met uitzondering van lijnbussen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008538/1/H3.

Datum uitspraak: 9 maart 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwaag, gemeente Hoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/1575 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college besloten om het Keern gesloten te verklaren voor motorvoertuigen vanaf het punt direct ten noorden van de aansluiting met de Provincialeweg over een lengte van circa 25 meter in noordelijke richting, met uitzondering van lijnbussen.

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

2.2. Het verkeersbesluit ziet op de dynamische afsluiting van het Keern-noord voor gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van lijndienstbussen. Hierdoor ontstaat een nieuwe situatie op het kruispunt Keern/Provincialeweg, waardoor de wijk Risdam-zuid niet meer bereikbaar is vanaf het Keern-noord. Risdam-zuid heeft na de afsluiting van het Keern-noord nog andere ontsluitingswegen, namelijk de Westfriese parkweg, de Zwaagmergouw en de Dr. C.J.K. van Aalstweg. Deze ontsluitingswegen komen alle uit op de Provincialeweg. [appellant] is woonachtig in de Dorpsstraat, gelegen in het noordelijke deel van Risdam-zuid.

2.3. Bij het besluit van 18 mei 2009 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat zijn belang niet rechtstreeks is betrokken bij het verkeersbesluit en hij om die reden niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het door de gemeente toegepaste verkeersmodel van Goudappel Coffeng blijkt dat [appellant] in een straat woont waar geen toename van het verkeer als gevolg van het verkeersbesluit valt te verwachten. De enkele vrees van een burger voor een toename van het verkeer in de straat, is onvoldoende om hem als belanghebbende aan te merken, aldus het college.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hem terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 16 december 2008 heeft aangemerkt. Hij betoogt dat de afsluiting van het Keern-noord leidt tot een toename van de verkeersintensiteit in de Dorpsstraat West, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor zijn woon- en leefklimaat. Hiertoe voert hij aan dat het gehanteerde verkeersmodel en de daarop gebaseerde resultaten geen realistische weergave geven van de huidige situatie. Voorts voert [appellant] aan dat de door het verkeersmodel geprognosticeerde verkeersintensiteit in de Dorpsstraat voor het jaar 2020 reeds in het jaar 2008 is gehaald. Tevens stelt [appellant] dat de bedrading van de meetapparatuur los heeft gelegen tijdens de meetperiode, waardoor de meting van de verkeersintensiteit ondeugdelijk is. Het college is hier in de bezwaarfase onvoldoende op ingegaan, aldus [appellant].

2.4.1. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200204477/1), is met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor een ieder. Bij verkeersbesluiten dient dan ook van geval tot geval te worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. Voorts heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 22 juli 2009 in zaak nrs. 200807642/1/H3 en 200807644/1/H3), dat een persoon slechts als belanghebbende bij een verkeersbesluit wordt aangemerkt, indien hij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van de andere weggebruikers.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat de afsluiting van het Keern-noord weliswaar betekent dat [appellant] een alternatieve route moet volgen, indien hij vanuit Zwaag Hoorn wil bereiken en omgekeerd, maar dat hij zich in zoverre niet onderscheidt van bewoners en andere weggebruikers die Zwaag en Hoorn willen bereiken. Dat [appellant] regelmatig gebruik maakt van de kruising van de Dorpsstraat met het Keern en de kruising van het Keern met de Provincialeweg en als bezoeker van het Runshopping Centre baat heeft bij een goede en veilige verkeersafwikkeling, maakt evenmin dat hij zich onderscheidt van andere bewoners en weggebruikers ter plaatse. Ook de wens het Westfries Gasthuis snel te kunnen bereiken in geval van een calamiteit brengt dit niet met zich. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de woning van [appellant] op een afstand van ongeveer 1150 meter staat van de voorziene afsluiting. Volgens het door Goudappel Coffeng ontwikkelde verkeersmodel en de daarop gebaseerde resultaten leidt de afsluiting van het Keern-noord niet tot een toename van de verkeersintensiteit in de Dorpsstraat. [appellant] heeft de juistheid van het verkeersmodel en de uitkomsten daarvan weliswaar bestreden, maar heeft hier geen deskundigenonderzoek tegenover gesteld. De Afdeling is van oordeel dat hierdoor op voorhand kan worden uitgesloten dat de afsluiting van het Keern-noord gevolgen zal hebben voor de kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van [appellant]. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn stelling dat hij niet behoefde aan te tonen dat de verkeersintensiteit ter plaatse van zijn woning zou toenemen, nu hij zich ter zitting bij de rechtbank alleen over zijn belanghebbendheid en daarmee over de ontvankelijkheid van zijn bezwaar diende uit te laten. Hierbij is van belang dat het antwoord op de vraag of de belangen van [appellant] rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken mede afhankelijk is van de vraag of de verkeersintensiteit ter plaatse van de Dorpsstraat toeneemt.

De Afdeling overweegt dat het belang van [appellant] niet rechtstreeks bij het verkeersbesluit is betrokken, zodat hij om die reden niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Anders dan [appellant] betoogt, heeft hij geen bijzonder, individueel belang bij het verkeersbesluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college [appellant] terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

280-697.