Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201003645/1/T1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010, no. 6, heeft de raad het bestemmingsplan "Varkenshouderij Laarstraat" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003645/1/T1/R2.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

de stichting Stichting Behoud Kemnade en Waalse Water, gevestigd te Etten, gemeente Oude IJsselstreek, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Oude IJsselstreek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010, no. 6, heeft de raad het bestemmingsplan "Varkenshouderij Laarstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 april 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2011, waar de stichting en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof en drs. E. Visscher-Endeveld, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en F.L. Kroesen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij] en anderen, vertegenwoordigd door ing. R.B.M. Aagten, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Intrekking

2.2. Ter zitting hebben de stichting en anderen het beroep voor zover ingesteld door de Stichting Mooij Land en het Buurtschap Warm ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.3. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het beroep van de stichting en anderen voor zover het is ingesteld door de stichting en de Vereniging Comité Dorpsbelangen Etten niet-ontvankelijk is. Tevens wonen sommige natuurlijke personen volgens de raad op een te grote afstand van het plangebied om als belanghebbende te worden aangemerkt.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de statuten van de stichting stelt zij zich onder andere ten doel: het in stand houden van agrarisch cultuurlandschap met hoge natuur- en landschapswaarden en het stimuleren en realiseren van landschapsherstel waarbij de natuurlijke situatie zoveel mogelijk wordt bewaard en gerespecteerd. Dit ook in het gehele oude rivierenlandschap van de Vahalis, van het huidige Rijnbekken tot Oude IJssel, van Montferland tot Oude IJssel.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van haar statuten tracht de stichting haar doel te verwezenlijken door het organiseren en het houden van: activiteiten in het kader van voorlichting en communicatie met streekgenoten en overheden, activiteiten gericht op samenwerking met agrarische- en natuurbeschermingsorganisaties en activiteiten tot behoud en bevorderen van biodiversiteit.

Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat zij informatieavonden organiseert voor agrariërs en overleg voert met de gemeente over ruimtelijke ontwikkelingen in het landbouwontwikkelingsgebied.

2.3.3. Ingevolge artikel 2 van de statuten van de Vereniging Comité Dorpsbelangen Etten stelt zij zich, voor zover van belang, ten doel met alle binnen haar vermogen liggende middelen de leefbaarheid van de onder de gemeente Gendringen vallende dorpsgemeenschap Etten, en de daarbij behorende buurtschappen, alsmede de onder de gemeente Bergh vallende buurtschap Vethuizen, voor nu en in de toekomst te bevorderen. De vereniging zal zich hierbij dienen te richten op de genoemde dorps- en buurtgemeenschappen en te realiseren dat eventuele groepsbelangen ondergeschikt zijn aan de algemene belangen, in het geval dat deze niet te combineren zijn.

Ingevolge artikel 3 van haar statuten tracht de vereniging dit te bereiken door: het tot stand brengen en houden van een regelmatig overleg met de bevolking van Etten en buurtschappen en zich aldus een mening te vormen over de publieke opinie, zoveel mogelijk overleg te plegen en samen te werken met de betreffende overheidsinstanties en het opstellen, uitwerken en zo mogelijk uitvoeren van programma's.

Voorts is gebleken dat de vereniging overleg voert met de gemeente en buurtbewoners over diverse ruimtelijke ontwikkelingen in Etten.

2.3.4. De doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden van de stichting en de vereniging zijn voldoende onderscheidend om op grond daarvan te kunnen oordelen dat zij door het bestreden besluit rechtstreeks worden getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigen.

De stichting en de vereniging zijn dan ook belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Awb.

2.3.5. [48 bij naam genoemde personen] wonen op een zodanige afstand van het plangebied dat mede gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt deze afstand te groot is om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.3.6. De conclusie is dat de in 2.3.5 genoemde personen geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van de stichting en anderen voor zover door hen ingediend zal in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

Onder de stichting en anderen wordt hierna verstaan: de stichting en anderen, uitgezonderd de in 2.3.5 genoemde personen.

Het plan

2.4. Met het plan wordt beoogd de vestiging van een vleesvarkenshouderij aan de Laarstraat te Vethuizen mogelijk te maken.

Procedurele bezwaren

2.5. De stichting en anderen betogen dat gedurende de periode van terinzagelegging van het ontwerpplan de juiste versie van de toelichting op het ontwerpplan gedurende geruime tijd niet digitaal beschikbaar was, hetgeen in strijd is met artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro.

2.5.1. In artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, met dien verstande dat het ontwerp-besluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 december 2009, in de zaak nr. 200901438/1) moet artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro zo worden uitgelegd dat dit in ieder geval de verplichting inhoudt om het ontwerp-bestemmingsplan, dat wil zeggen de verbeelding en de planregels, en de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan via elektronische weg beschikbaar te stellen.

2.5.3. Uit de bijlage bij het verweerschrift blijkt dat in de juiste versie van de toelichting op het ontwerpplan onder andere de geurtabel met berekende geurconcentraties, de ammoniakdepositie en de paragraaf omtrent geluid is aangepast. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat tijdens de inzagetermijn aanvankelijk een eerdere conceptversie van de toelichting is gepubliceerd en dat dit verzuim tijdens de inzagetermijn zo snel mogelijk is hersteld. Derhalve is niet gedurende de gehele periode van terinzagelegging van het ontwerpplan de juiste versie van de plantoelichting langs elektronische weg beschikbaar gesteld. Dit verdraagt zich niet met artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro.

2.5.4. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met analoge toepassing van artikel 6:22 van de Awb en overweegt daartoe als volgt.

De stichting en anderen hebben in hun zienswijze met betrekking tot het ontwerpplan reeds onderkend dat niet gedurende de gehele periode van terinzagelegging van het ontwerpplan de juiste versie van de plantoelichting langs elektronische weg beschikbaar is gesteld. Zij hebben gedurende de periode van terinzagelegging inzage gehad in de juiste versie van de plantoelichting op het ontwerpplan en hebben deze dan ook kunnen betrekken bij hun zienswijze.

Het is niet aannemelijk dat andere belanghebbenden dan de stichting en anderen hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze omdat niet gedurende de gehele periode van terinzagelegging van het ontwerpplan de juiste versie van de plantoelichting langs elektronische weg beschikbaar is gesteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting de ammoniakdepositie is aangepast vanwege een kennelijke verschrijving, nu in dezelfde paragraaf in de plantoelichting de juiste depositie was vermeld. Voorts zijn in de aangepaste versie van de geurtabel lagere geurbelastingen opgenomen dan in de conceptversie en zijn de overige aanpassingen in de plantoelichting van redactionele aard.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat niet gedurende de gehele periode van terinzagelegging van het ontwerpplan de juiste versie van de plantoelichting langs elektronische weg beschikbaar is gesteld.

Inhoudelijke bezwaren

2.6. De stichting en anderen betogen dat het plan in strijd met het streekplan de waardevolle openheid van het gebied aantast. Zij voeren hiertoe aan dat het reconstructieplan verwijst naar het streekplan 1996, waarin is aangegeven dat in gebieden met waardevolle openheid in landelijk gebied D het open karakter dient te worden behouden.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen landschappelijke waarden worden aangetast. Hij verwijst daarbij naar het landschapsplan dat Stichting Staring Advies heeft opgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze het bedrijf landschappelijk wordt ingepast in het gebied.

2.6.2. In het reconstructieplan is vermeld dat op de ontwikkeling van intensieve veehouderij de ruimtelijke randvoorwaarden die in het geldende streekplan worden gesteld aan de landbouw binnen de gebiedscategorieën landelijk gebied C en D van toepassing blijven.

In het streekplan 2005 is vermeld dat het streekplan voorziet in een integrale herziening van het vigerende ruimtelijke beleid van de provincie Gelderland (streekplan Gelderland 1996 en de daaropvolgende partiële herzieningen).

Gelet hierop diende de raad bij de vaststelling van het plan rekening te houden met het streekplanbeleid zoals dat is vastgesteld op 29 juni 2005. De verwijzing in het reconstructieplan naar het streekplan van 1996 maakt dit niet anders.

Op themakaart 22 die is opgenomen in het streekplan 2005 zijn de waardevolle open gebieden en de waardevolle landschappen in de provincie Gelderland aangeduid. Het plangebied is niet aangeduid als een waardevol open gebied. De stichting en anderen kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun betoog dat de raad ten onrechte het provinciale beleid niet bij zijn afweging heeft betrokken.

2.7. Voorts voeren de stichting en anderen aan dat de vestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse een verhoogde ziektedruk en een verhoogde kans op uitbraak van ziekten met zich brengt voor mens en dier. Dit risico is bij de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende onderkend en meegewogen, aldus de stichting en anderen. Zij verwijzen naar het advies van de GGD van 18 november 2008, waarin een afstand wordt aanbevolen van minimaal één tot twee kilometer tussen intensieve veehouderijen. In dit plan wordt aan die afstand niet voldaan, aldus de stichting en anderen.

2.7.1. De raad verwijst naar het advies van de GGD Gelre-IJssel van 18 februari 2010 met betrekking tot de in het plan voorziene varkenshouderij. Nu aan de voorwaarden van het advies is voldaan, zijn de gevolgen voor de volksgezondheid in voldoende mate meegewogen, aldus de raad.

2.7.2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in de vestigingsmogelijkheden van een intensieve veehouderij is de mogelijke besmetting door dierziekten een mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt zijn regeling echter primair in andere wetgeving en daarnaast kunnen aan de milieuvergunning voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.

In het advies van de GGD Gelre-IJssel van 18 februari 2010 is specifiek ingegaan op de voorziene varkenshouderij en wordt een afstand van 200 meter tot gevoelige bestemmingen afdoende geacht voor de bescherming van de volksgezondheid. Niet is gebleken dat het advies gebreken dan wel leemten in kennis vertoont. De raad heeft het advies van de GGD Gelre IJssel dan ook in redelijkheid aan het besluit ten grondslag mogen leggen.

Nu in het plan aan de aanbevolen afstand van 200 meter tot gevoelige bestemmingen wordt voldaan heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gezondheidsrisico's met zich brengt.

2.8. Voorts betogen de stichting en anderen dat het plan in strijd is met het reconstructieplan "Achterhoek en Liemers" (hierna: het reconstructieplan). Zij voeren hiertoe aan dat ten onrechte geen nader beleid tot detaillering van het reconstructieplan is opgesteld voordat het plan is vastgesteld. Bovendien heeft de raad het plan ten onrechte niet getoetst aan het ontwerpbestemmingsplan "Thematische herziening Landbouwontwikkelingsgebied LOG Azewijn" (hierna: het ontwerpbestemmingsplan LOG Azewijn) en de door de raad vastgestelde "Gebiedsvisie LOG Azewijnsebroek" (hierna: de gebiedsvisie). De percelen vallen volgens de stichting en anderen buiten de zones die volgens de gebiedsvisie geschikt zijn voor bundeling en clustering van intensieve veehouderijen, terwijl bundeling en clustering volgens de gebiedsvisie de voorkeur genieten. Tevens is het plan volgens de stichting en anderen in strijd met de in de gebiedsvisie opgenomen "Spelregels Oeroude IJsselstromen".

2.8.1. In de stukken is vermeld dat het plan niet volledig is getoetst aan de uitgangspunten van de gebiedsvisie, omdat het verzoek tot het realiseren van een varkenshouderij aan de Laarstraat in 2006 is ingediend. Het verzoek is derhalve geruime tijd vóór het vaststellen van de gebiedsvisie ingediend. Volgens de raad is het plangebied in de gebiedsvisie aangewezen als een gebied waar nieuwe intensieve veehouderijen zich kunnen vestigen. Daarnaast is een landschapsplan opgesteld om de veehouderij een passende plaats te geven in het omliggende landschap, aldus de raad.

2.8.2. Voor zover de stichting en anderen betogen dat op grond van het reconstructieplan nader beleid had moeten worden opgesteld voordat de raad het bestemmingsplan mocht vaststellen, hebben de stichting en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het reconstructieplan dit vereist.

Het ontwerpbestemmingsplan LOG Azewijn was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet vastgesteld. In hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dat ontwerpplan bij dit plan diende te betrekken.

De raad heeft de gebiedsvisie op 30 oktober 2009 vastgesteld. In de gebiedsvisie is op basis van ruimtelijke en landschappelijke argumenten bepaald waar in het landbouwontwikkelingsgebied ruimte kan worden geboden voor nieuwe bedrijven, waarbij ook is aangegeven welke ruimtelijk-landschappelijke voorwaarden gelden om te komen tot een inpassing van bedrijven die leidt tot kwaliteit. De gebiedsvisie voorziet niet in overgangsrecht. De raad diende het plan dan ook te toetsen aan de gebiedsvisie.

Anders dan in de stukken is vermeld heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het plan volledig is getoetst aan de gebiedsvisie. Zo heeft de raad ter zitting gesteld dat is gekozen voor het ontwikkelingsprincipe spreiding en is gezorgd voor een oplossing op maat voor zover is afgeweken van de gebiedsvisie. De raad heeft evenwel niet gemotiveerd waarom is gekozen voor het genoemde ontwikkelingsprincipe, terwijl bundeling en clustering volgens de gebiedsvisie de voorkeur genieten. Evenmin heeft de raad inzichtelijk gemaakt in hoeverre hij de in de gebiedsvisie opgenomen "Spelregels Oeroude IJsselstromen" in zijn afweging heeft betrokken.

De Afdeling ziet in hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.9. Voorts betogen de stichting en anderen dat het bouwvlak een te grote omvang heeft, nu een bouwvlak van deze grootte niet noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

2.9.1. De raad heeft blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beoogd in het plan een bouwvlak op te nemen van ongeveer 1,5 ha. Blijkens de verbeelding en de op de verbeelding opgenomen schaal voorziet het plan in een bouwvlak van 22,5 bij 37,5 meter. De oppervlakte van het in het plan voorziene bouwvlak bedraagt derhalve ongeveer 844 m2.

Nu de beoogde omvang van het bouwvlak niet overeenkomt met de door de raad toegekende omvang van het bouwvlak heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.10. Gelet op het overwogene onder 2.8.2. en 2.9.1. is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Bestuurlijke lus

2.11. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen.

Gelet op het in overweging 2.9.1. geconstateerde gebrek kan herstel slechts plaatsvinden door het nemen van een nieuw besluit.

De raad dient bij dit besluit alsnog met inachtneming van overweging 2.8.2. inzichtelijk te maken of de voorziene vestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse zich verhoudt tot de gebiedsvisie. Op grond van de uitkomsten van deze beoordeling dient hij met een toereikende motivering te heroverwegen of ter plaatse een bouwvlak kan worden toegekend en, zo ja, de omvang en situering daarvan. In het nieuwe besluit dient de planregeling daarop te worden toegesneden. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden en kan worden voorbereid, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Proceskosten en overige beroepsgronden

2.12. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht. Tevens zullen in de einduitspraak, gelet op de samenhang met de geconstateerde gebreken, de overige beroepsgronden van de stichting en anderen worden besproken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Oude IJsselstreek op om binnen 12 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen

- het besluit van 18 februari 2010, no. 6, te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 2.11 en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

- de uitkomst tevens aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

425-683.