Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201006752/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel aan de Beetskoogkade te Oudendijk (hierna: het perceel) geplaatste trailer voor 1 mei 2008 te (doen) verwijderen.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1703
JOM 2011/339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006752/1/H1.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 3 juni 2010 in

zaak nr. 08/2352 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Koggenland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de op het perceel aan de Beetskoogkade te Oudendijk (hierna: het perceel) geplaatste trailer voor 1 mei 2008 te (doen) verwijderen.

Bij besluit van 25 juni 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door P. Stam en R. van Hoorn, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied Oudendijk" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden (A)".

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften mogen ten behoeve van de bestemming op deze gronden uitsluitend bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, waaronder ten hoogste één dienstwoning per bedrijf, een en ander met uitzondering van glasopstallen hoger dan 1.00 m en voorts behoudens de beperkingen die ter zake ingevolge de nadere aanwijzingen uit de kaart blijken.

Ingevolge artikel 40, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de trailer niet is aan te merken als een bouwwerk, nu met de plaatsing daarvan op het perceel geen bouwen, in de zin van construeren, heeft plaatsgevonden.

2.2.1. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. De rechtbank heeft terecht overwogen dat gelet daarop voor de betekenis daarvan aansluiting kan worden gezocht bij de in de modelbouwverordening daarvan gegeven definitie. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de trailer niet aan die definitie voldoet, kan niet slagen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de trailer als zodanig een constructie van enige omvang vormt. Dat deze niet ter plaatse is geconstrueerd, is niet van belang. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ook mobiele constructies zoals de trailer als plaatsgebonden kunnen worden beschouwd en dat in dit geval van plaatsgebondenheid sprake is, nu bij [appellant] kennelijk de bedoeling aanwezig was om de trailer permanent of voor lange tijd als opslagplaats op het perceel aanwezig te laten zijn. Vaststaat immers dat het college vanaf het jaar 2006 meerdere malen heeft geconstateerd dat de trailer ter plaatse aanwezig was, altijd op dezelfde plek, en er steeds (bouw)materialen in opgeslagen waren. Dat de trailer, naar [appellant] stelt, een aantal malen per jaar werd verplaatst, leidt niet tot een ander oordeel.

De conclusie is dat de rechtbank met juistheid tot het oordeel is gekomen dat [appellant] met de plaatsing van de trailer op het perceel artikel 40 van de Woningwet heeft overtreden.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hij door de trailer op het perceel te plaatsen, dat perceel niet gebruikt in strijd met de daarop rustende bestemming. Volgens [appellant] rust er op het perceel geen agrarische bestemming, maar de bestemming "Verkeersdoeleinden" en is het gebruik dat hij van het perceel maakt, daarmee in overeenstemming.

2.3.1. Anders dan [appellant] stelt, gold voor het perceel ten tijde van het besluit op bezwaar het bestemmingsplan "Landelijk gebied Oudendijk" en rustte daarop ingevolge dat plan de bestemming "Agrarische doeleinden (A)". De rechtbank heeft terecht overwogen dat het permanent stallen van de trailer op het perceel, nu deze niet werd gebruikt ten behoeve van agrarische doeleinden, niet met deze bestemming in overeenstemming kan worden geacht. Het college was dan ook ter zake van de handhaving van het bestemmingsplan eveneens bevoegd om handhavend op te treden.

Ook dit betoog faalt.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich niet voordoen. Voor zover [appellant] betoogt dat ten tijde van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestond, wordt overwogen dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het op 15 september 2008 door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2008", waarin aan het perceel de bestemming "Verkeer" is toegekend, de permanente aanwezigheid van de trailer ten behoeve van opslag ter plaatse evenmin toestaat. Nu hier sprake is van permanente aanwezigheid van de trailer op het perceel en deze wordt gebruikt voor opslag, heeft de rechtbank, eveneens terecht, het betoog van [appellant] dat sprake is van parkeren, niet gevolgd. Ook overigens zijn bedoelde bijzondere omstandigheden gesteld, noch gebleken.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

374-641.