Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201006670/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college Desmepol, voor zover van belang, onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven vier illegaal geplaatste zeecontainers op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1700
JOM 2011/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006670/1/H1.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Desmepol B.V., gevestigd te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 juni 2010 in zaak nr. 08/358 in het geding tussen:

Desmepol

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college Desmepol, voor zover van belang, onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven vier illegaal geplaatste zeecontainers op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 1 april 2008 heeft het college het door Desmepol daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Desmepol daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Desmepol bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2011, waar Desmepol, vertegenwoordigd door H.J.M. Willems-Damman, en het college, vertegenwoordigd door P. Braamhaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is gehoord [belanghebbende], bijgestaan door W.J. Jansen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Ambt Delden" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsbebouwing", met als doeleindenomschrijving "Ze".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangegeven gronden bestemd voor fabricage zeep/was/reinigingsproducten.

2.2. Desmepol betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de zeecontainers zowel vanwege hun afmetingen en omvang als vanwege hun plaatsgebondenheid moeten worden aangemerkt als een bouwwerk. Zij voert daartoe aan dat de zeecontainers slechts dienen als verpakkingsmateriaal en transportmiddel voor goederen en niet worden gebruikt als opslagruimte en daarom niet zijn bedoeld om ter plaatse te functioneren. Desmepol stelt voorts dat het op grond van de aan haar verleende milieuvergunning is toegestaan zeecontainers op het buitenterrein te plaatsen.

2.2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Voor de beantwoording van de vraag of een bouwvergunning is vereist, dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Ingevolge die bepaling wordt, voor zover thans van belang, onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling, onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak nr. 200004512/1 (Gst. 2002, 7172, 11), geeft de modelbouwverordening een bruikbare definitie van het wettelijke begrip "bouwwerk". Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

2.2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vier zeecontainers, gezien hun afmetingen en omvang alsmede hun plaatsgebonden karakter, moeten worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Het betoog van Desmepol dat de zeecontainers dienen te worden beschouwd als verpakkingsmateriaal en transportmiddel, is niet voldoende om aan de zeecontainers het plaatsgebonden karakter te ontzeggen. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat de vier zeecontainers zodanig zijn geplaatst dat deze zeer moeilijk zijn te verwijderen en dat de zeecontainers zijn geplaatst ter vervanging van en vrijwel direct na de verwijdering van twee andere zeecontainers waarvan de Afdeling in de eerdere uitspraak van 1 november 2008 in zaak nrs. 200807395/1 en 200807395/2 heeft overwogen dat deze een plaatsgebonden karakter hebben. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de vier zeecontainers kennelijk zijn bedoeld om permanent ter plaatse te functioneren. Dat volgens Desmepol de vier zeecontainers op het perceel mogen worden geplaatst conform de aan haar verleende milieuvergunning, wat hier van zij, maakt evenmin dat reeds daarom geen sprake is van een bouwwerk. Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

473.