Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7169

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201007202/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2009 heeft het college aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een mestsilo, een veevoedersilo en een mestopslagplaat op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007202/1/H1.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2010 in

zaak nr. 09/3300 in het geding tussen onder meer:

[appellant A] en [appellante B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2009 heeft het college aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een mestsilo, een veevoedersilo en een mestopslagplaat op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 7 juni 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 15 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [appellante B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2011, waar het college, vertegenwoordigd door B.W. ter Steege, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is [belanghebbende] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang bezien met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college hen ten onrechte geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 15 januari 2009 heeft geacht. Hiertoe stellen zij dat hun woning alsmede hun toekomstig te bouwen woning is gelegen binnen het gebied waarin de voor de veehouderij van [belanghebbende] toepasselijke geurnorm wordt overschreden.

2.2.1. Dit betoog faalt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, speelt de omstandigheid dat het hier gaat om een gebonden beschikking geen rol bij de beoordeling van de vraag of belanghebbendheid kan worden aangenomen. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat het college [appellant A] en [appellante B] terecht niet rechtstreeks belanghebbend bij het besluit heeft geacht. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat tussen de woning van [appellant A] en [appellante B] en het perceel een woonwijk is gelegen. Vast staat verder dat zij geen zicht op de vergunde bouwwerken hebben en dat hun woning, alsmede hun toekomstige woning, op een afstand van ongeveer 400 m van het perceel is gelegen. De ruimtelijke uitstraling van de op te richten mestsilo, veevoedersilo en de mestopslagplaat is voorts niet zodanig groot dat [appellant A] en [appellante B] daardoor direct in hun belangen worden geschaad. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op de aard van de op te richten bouwwerken, niet aannemelijk kan worden geacht dat geurhinder ter plaatse van de woningen van [appellant A] en [appellante B] zal ontstaan ten gevolge van de realisering van de bouwwerken. Dat het bedrijf van [belanghebbende] mogelijk wel geurhinder ter plaatse van de woningen veroorzaakt, maakt, anders dan [appellant A] en [appellante B] beogen te betogen, niet dat zij bij alle bouwplannen van [belanghebbende] belanghebbend zijn.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

414-672.