Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201007026/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2009 heeft de minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) aan [appellant] geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007026/1/H3.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2010 in zaak nr. 09/3115 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2009 heeft de minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) aan [appellant] geweigerd.

Bij besluit van 18 november 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.M.A. Verhulst en mr. S.L. de Koning, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister terecht het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard in verband met het ontbreken van belang, nu de stage waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd niet langer beschikbaar is. In dit verband betoogt hij dat een burger nooit verweer kan voeren tegen de weigering om afgifte van een VOG als deze weigering een sollicitatie in de weg heeft gestaan, dus ook niet als die weigering volkomen ten onrechte zou hebben plaatsgevonden. Voorts betoogt [appellant] dat een beslissing omtrent het al dan niet terecht weigeren van de afgifte van de VOG van belang is met het oog op eventuele toekomstige sollicitaties.

2.1.1. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat [appellant] ten tijde van de beslissing op bezwaar nog een rechtens te beschermen belang had bij het verkrijgen van een beslissing omtrent het al dan niet terecht weigeren van de VOG. Hierbij is van belang dat [appellant] hangende het bezwaar inmiddels een andere stage had voltooid en niet is gebleken dat hij zijn opleiding heeft moeten beëindigen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet meer kon bewerkstelligen wat hij met het maken van zijn bezwaar beoogde. Een heroverweging van het door hem bestreden besluit en beantwoording van de vraag of de VOG terecht door de minister is geweigerd, zou in dit geval slechts van principiële betekenis zijn, hetgeen niet voldoende is om een belang aan te nemen.

Het betoog dat een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar volgens [appellant] van belang is voor een aanvraag van een VOG bij eventuele toekomstige sollicitaties kan niet leiden tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 201003549/1 kan een eenmaal afgegeven VOG alleen worden gebruikt voor de functie waarvoor die VOG is aangevraagd. Bij de aanvraag van een nieuwe VOG vindt opnieuw een beoordeling plaats, waarbij de termijn waarbinnen terug gekeken wordt of de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie door tijdsverloop een andere is dan welke bij deze aanvraag is betrokken. Het betoog faalt.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

312-697.