Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201008000/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2010:BN0571, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2008 heeft het college de aanvraag om subsidie van Ukkie Pukkie voor het kalenderjaar 2009 voor de uitvoering van het peuterspeelzaalwerk in de buurtschap Horst/Telgt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008000/1/H2.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Ukkie Pukkie, gevestigd te Ermelo,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 juli 2010 in zaak nr. 09/1475 in het geding tussen:

Ukkie Pukkie

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2008 heeft het college de aanvraag om subsidie van Ukkie Pukkie voor het kalenderjaar 2009 voor de uitvoering van het peuterspeelzaalwerk in de buurtschap Horst/Telgt afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het college aan de stichting Stichting Basisvoorziening Peuterspeelzaalwerk Ermelo (hierna: de SBPE) een voorschot verleend van € 46.000,00 op de te verlenen subsidie over het kalenderjaar 2009.

Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college het door Ukkie Pukkie gemaakte bezwaar gericht tegen het besluit van 30 december 2008 gegrond verklaard en heeft het aan Ukkie Pukkie voor het kalenderjaar 2009 subsidie verleend tot een bedrag van € 25.706,14 voor het verzorgen van peuterspeelzaalwerk in Ermelo. Voorts heeft het college het door Ukkie Pukkie gemaakte bezwaar gericht tegen het besluit van 8 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 2 september 2009 heeft het college het besluit van 4 augustus 2009 aangevuld.

Bij uitspraak van 7 juli 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door Ukkie Pukkie ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 4 augustus 2009. Voorts heeft de rechtbank bij deze uitspraak het door Ukkie Pukkie ingestelde beroep ongegrond verklaard, voor zover gericht tegen het besluit van 2 september 2009. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Ukkie Pukkie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Oosterveer, werkzaam als advocaat bij de gemeente Ermelo, en P.A. Beelen-Mostert, werkzaam bij de gemeente Ermelo, is verschenen. Ukkie Pukkie is met bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van Ukkie Pukkie gericht tegen het besluit van 8 januari 2009, waarbij aan de SBPE subsidie is verleend, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. In dit besluit is vermeld dat binnen het vastgestelde subsidieplafond basisvoorziening peuterspeelzaalwerk Ermelo rekening is gehouden met deelname aan de basisvoorziening door Ukkie Pukkie. Voorts is hierin vermeld dat in afwachting van aansluiting van Ukkie Pukkie bij de SBPE het budget voor Ukkie Pukkie is gereserveerd en nog beschikbaar is.

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep van Ukkie Pukkie gericht tegen het besluit van 2 september 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat Ukkie Pukkie niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het college heeft met het besluit van 8 januari 2009 enkel voor het jaar 2009 aan de SBPE een subsidie verleend.

2.2. Ukkie Pukkie betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Ukkie Pukkie voert aan dat zij op dezelfde markt opereert als de SBPE en dat zij een soortgelijke en concurrerende dienst op dezelfde markt brengt.

2.2.1. Ukkie Pukkie heeft voor het kalenderjaar 2009 een aanvraag om subsidie ingediend voor het aanbieden van peuterspeelzaalwerk in het buurtschap Horst/Telgt ter hoogte van € 29.517,00. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college aan Ukkie Pukkie een subsidie voor 44 peuterspeelplaatsen verleend ten bedrage van € 25.706,14. Het besluit van 4 augustus 2009 is door Ukkie Pukkie op dat onderdeel niet in rechte bestreden, zodat het thans in zoverre in rechte onaantastbaar is en van de juistheid ervan moet worden uitgegaan.

Aan Ukkie Pukkie is het maximale bedrag per peuterspeelplaats aan subsidie toegekend over het jaar 2009. Dat Ukkie Pukkie een lager bedrag aan subsidie is verleend dan waarom zij heeft verzocht, is niet het gevolg van de subsidieverlening aan de SBPE, maar van de maximale vergoeding per peuterspeelplaats en het aantal te vergoeden plaatsen. Het besluit van 8 januari 2009 heeft dan ook geen gevolgen voor de subsidieverlening aan Ukkie Pukkie, zodat zij hierdoor niet in haar belang wordt geraakt. Dat Ukkie Pukkie en SBPE een soortgelijke en concurrerende dienst aanbieden, maakt dat niet anders, reeds omdat Ukkie Pukkie niet heeft gesteld dat zij meer peuterspeelplaatsen had willen aanbieden dan de 44 waarvoor zij in het jaar 2009, waarop het besluit hier aan de orde betrekking heeft, subsidie heeft ontvangen en voorts, omdat SBPE, naar het college ter zitting onbestreden heeft gesteld, geen plaatsen aanbiedt in het buurtschap Horst/Telgt, zodat Ukkie Pukkie ook niet een groter marktaandeel had kunnen krijgen indien aan SBPE geen of een lagere subsidie was verleend.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat Ukkie Pukkie geen belanghebbende was bij het besluit van 8 januari 2009.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

362-630.