Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201007345/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2010, kenmerk 2009-019604, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente West Maas en Waal bij besluit van 28 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, herziening De Tuut 9".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007345/1/R2.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2010, kenmerk 2009-019604, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente West Maas en Waal bij besluit van 28 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, herziening De Tuut 9".

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2010, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de raad en [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2011, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [appellant A] en bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door M.G.M. Megens, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat, advocaat te Houten, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. [appellant A] woont op een afstand van ongeveer 476 meter van het plangebied. Vanuit de leefruimten in zijn woning heeft hij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft hij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO, geen beroep kan instellen.

Het beroep, voor zover ingediend door [appellant A], is derhalve niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep inhoudelijk

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. Het plan voorziet in vervangende nieuwbouw voor de te slopen woning elders op het perceel De Tuut 9 (hierna: het perceel). Daarnaast voorziet het plan in een ecologische verbindingszone.

2.5. [appellant B] en [appellant C] kunnen zich niet verenigen met de goedkeuring van het plan. Zij betogen dat het plan in strijd is met het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) van 29 juni 2005 en de streekplanherziening (hierna: de streekplanherziening) voor herbegrenzing van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) van 1 juli 2009. Hiertoe voeren zij aan dat de planologische afweging ten onrechte niet is gebaseerd op de 'nee, tenzij" benadering. Volgens hen leidt de situering van een woning met een inhoud van 2270 m3 in de EHS tot een onaanvaardbare aantasting van het open landschappelijk waardevolle gebied. In dit verband stellen zij dat de inrichting van het plan als ecologische verbindingszone niet is verzekerd. Verder stellen [appellant B] en [appellant C] dat een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de woning ontbreekt.

Zij stellen verder dat ten onrechte geen duidelijk standpunt is ingenomen in het overleg dat is gehouden op grond van artikel 10 van het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985).

Voorts betogen [appellant B] en [appellant C] dat de situering en de inhoud van de woning in strijd zijn met het bestemmingsplan Buitengebied, waarin een maximale inhoud van 625 m3 is toegestaan, en stellen zij dat de woning zal leiden tot verrommeling van het buitengebied. Het plan is daarnaast in strijd met het gemeentelijke beleid in de Ontwikkelingsvisie Wonen en Werken uit 2002 (hierna: de Ontwikkelingsvisie), aldus [appellant B] en [appellant C].

Tot slot betogen zij dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

2.5.1. Het college stelt dat het plangebied onderdeel is van het gebied dat in het streekplan is aangeduid als "EHS-verbindingszone". Een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de woning, waarbij rekening wordt gehouden met en ingespeeld wordt op de aanleg van de ecologische verbindingszone, is verzekerd door middel van een projectovereenkomst tussen de gemeente en [belanghebbenden]. Gelet hierop heeft het plan geen significante aantasting van de EHS tot gevolg doch leidt het per saldo tot een positief resultaat, aldus het college. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de woning stelt het college in navolging van de raad dat de landschappelijke waarde van het gebied wordt bepaald door de kleine beplantingselementen en niet door de openheid. Het college wijst er verder op dat het aantal woningen in het buitengebied door het plan niet toeneemt, zodat geen sprake is van verrommeling noch van strijd met de Ontwikkelingsvisie van de gemeente.

2.5.2. Aan het plangebied zijn de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Woonbebouwing" en de dubbelbestemming "Beheers- en beschermingszone A-Watergang" toegekend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, zijn de gronden op de plankaart aangegeven met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" bestemd voor de bescherming van landschapswaarden en ingevolge hetzelfde artikellid, aanhef en onder e, voor de ontwikkeling en instandhouding van een ecologische verbindingszone.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, zijn de gronden op de plankaart aangegeven met de bestemming "Woonbebouwing" bestemd voor woningen met bijbehorende tuinen en erven en voor praktijk- en kantoorruimten ten behoeve van aan huis gebonden beroepen, mits de woonfunctie als overwegende functie blijft gehandhaafd.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, voor zover hier van belang, is een woning met een maximale inhoud van 2300 m3 toegestaan.

2.5.3. Het streekplan vermeldt dat binnen de EHS de "nee, tenzij" benadering geldt. Dit houdt in dat bestemmingswijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reƫle alternatieven zijn en er redenen zijn van groot openbaar belang. De te beschermen en te behouden wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS zijn volgens het streekplan uitgewerkt in een streekplanuitwerking.

De streekplanherziening strekt ertoe een herbegrenzing van de EHS vast te stellen teneinde deze robuuster te maken. Uit de bijbehorende kaart "Herbegrenzing EHS van Gelderland" volgt dat het plangebied deel uitmaakt van het gebied dat is aangeduid als "ecologische verbindingszone". Voor de natuurdoelen per gebied verwijst de streekplanherziening naar de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse Ecologische Hoofdstructuur" (hierna: de streekplanuitwerking).

In mei 2006 is door het college de streekplanuitwerking vastgesteld. Het plangebied is onderdeel van het "Rivierengebied". Hiervoor zijn in de streekplanuitwerking kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelstellingen geformuleerd. Ten behoeve van deze ontwikkelingsdoelstellingen zijn modellen opgesteld. Op kaart 3C van de streekplanuitwerking is aangegeven dat het plangebied in het gebied ligt dat is aangeduid als "evz, model kamsalamander".

2.5.4. In paragraaf 5.6.4. van de plantoelichting staat dat bij de aanleg van de waterpartij en de verdere inrichting van het gebied als ecologische verbindingszone kan worden uitgegaan van het model "kamsalamander". Dit model bestaat uit een corridor met stapstenen, ingebed in een landschapszone. Door de aan te leggen waterpartij natuurvriendelijk in te richten en extensief te beheren, kan worden bijgedragen aan het functioneren van de ecologische verbindingszone voor doelsoorten uit het model, en blijft de kwaliteit van het plangebied als verbindingszone behouden.

2.5.5. Zoals hiervoor onder 2.5.3. is overwogen maakt het plangebied deel uit van het gebied dat in de streekplanherziening is aangeduid als "ecologische verbindingszone" en van het gebied dat in de uitwerking is aangeduid als "evz, model kamsalamander". Hieruit volgt dat binnen het plangebied in beginsel slechts ontwikkelingen zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet significant aantasten. [appellant B] en [appellant C] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de planontwikkeling leidt tot een significante aantasting van de in de streekplanuitwerking opgenomen kernkwaliteiten. Hierbij betrekt de Afdeling dat de door [appellant B] en [appellant C] genoemde openheid van het gebied in de streekplanuitwerking niet is genoemd als kernkwaliteit of natuurwaarde. Daarnaast hebben zij niet onderbouwd dat de situering, omvang, bereikbaarheid of verlichting van de woning leidt tot een significante aantasting van de in de streekplanuitwerking genoemde kernkwaliteiten en natuurwaarden. De stelling van [appellant B] en [appellant C] dat het gebied in een stiltegebied ligt is onjuist. Voorts is van belang dat uit de plantoelichting in samenhang bezien met de planvoorschriften volgt dat het plan invulling beoogt te geven aan de ontwikkelingsdoelstellingen voor het gebied door het verder inrichten hiervan als ecologische verbindingszone. Voor zover [appellant B] en [appellant C] betogen dat deze inrichting onvoldoende is verzekerd overweegt de Afdeling dat de planvoorschriften in overeenstemming zijn met deze inrichting en dat een projectovereenkomst is gesloten met [belanghebbenden] teneinde de inrichting conform het bepaalde in paragraaf 5.6.4. van de plantoelichting te garanderen. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en natuurwaarden tot gevolg heeft. Dit betekent dat, anders dan [appellant B] en [appellant C] stellen, de "nee, tenzij" benadering niet verder in de afweging behoefde te worden betrokken, daar deze benadering pas geldt indien het plan een significante aantasting van de natuurlijke kenmerken en waarden tot gevolg heeft. Een beoordeling van de noodzaak van woningbouw is in dit verband dan ook niet nodig.

2.5.6. Ten aanzien van het betoog van [appellant B] en [appellant C] aangaande de verrommeling die optreedt en de strijdigheid met het bestemmingsplan "Buitengebied" overweegt de Afdeling als volgt. Vaststaat dat de in het plan opgenomen inhoudsmaat en de afstand van de woning tot de weg in strijd zijn met het bestemmingsplan "Buitengebied". Daarom is dit plan vastgesteld. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft in dit verband van belang geacht dat een niet gering gedeelte van de totale inhoud van de woning ondergronds wordt gebouwd. Voorts heeft de raad van belang geacht dat bij de landschappelijke inpassing van de woning rekening is gehouden met het behoud van de natuurlijke kenmerken en natuurwaarden, waaronder het behoud van kleine beplantingselementen. Tevens heeft de raad in zijn afweging betrokken dat met dit plan inhoud wordt gegeven aan de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone. Het college heeft zich hier in het bestreden besluit in redelijkheid bij kunnen aansluiten. Wat betreft de verrommeling is van belang dat het hier gaat om de herbouw van de woning, en niet de toevoeging van een woning. Gelet ook op de landschappelijke inpassing van de woning hebben [appellant B] en [appellant C] niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot verrommeling van het buitengebied als bedoeld in de Nota Ruimte en de provinciale nota Landschapsontwikkeling. Ten aanzien van de Ontwikkelingsvisie overweegt de Afdeling dat deze niet van toepassing is op het buitengebied. Wat betreft het overleg op grond van artikel 10 Bro 1985 is van belang dat dit artikel slechts verplicht tot het voeren van overleg.

Tot slot overweegt de Afdeling dat hetgeen is aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan leidt tot een rechtsonzekere situatie noch dat het plan in strijd is met de rechtsgelijkheid.

Het betoog faalt.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant B] en [appellant C] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep, voor zover dit is ingesteld door [appellant B] en [appellant C], ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

234-647.