Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201007218/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2007 heeft de minister de historische buitenplaats "Backershagen" te Wassenaar met een historische tuin- en parkaanleg en hek, tuinmuur, grenspalen, hek van 'De Hartenkamp', dienst(portiers)woning, dienstwoning 'Hertenhuisje', brug, garage met bovenwoning en schuur van 'De Hartenkamp', dubbele dienstwoning van 'De Hartenkamp', tuinmuur van 'De Hartenkamp', hekpijlers van 'De Hartenkamp', schelpengrot, damwand/keermuur en tuinkoepel, tezamen en als samenstellende onderdelen, aangewezen als rijksmonument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007218/1/H2.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 juni 2010 in zaken nrs. 09/3186, 4194, 4173 en 4198 in het geding tussen:

[appellant],

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2007 heeft de minister de historische buitenplaats "Backershagen" te Wassenaar met een historische tuin- en parkaanleg en hek, tuinmuur, grenspalen, hek van 'De Hartenkamp', dienst(portiers)woning, dienstwoning 'Hertenhuisje', brug, garage met bovenwoning en schuur van 'De Hartenkamp', dubbele dienstwoning van 'De Hartenkamp', tuinmuur van 'De Hartenkamp', hekpijlers van 'De Hartenkamp', schelpengrot, damwand/keermuur en tuinkoepel, tezamen en als samenstellende onderdelen, aangewezen als rijksmonument.

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2010, verzonden op 18 juni 2010, heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.F. Berkhemer, werkzaam voor Berkhemer Belastingadvies, en mr. H. Treure, werkzaam voor [Stichting Administratiekantoor], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Valkenburcht en dr. I.M. Contant, beiden werkzaam voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zijn verschenen. Voorts zijn drs. R.P.M. Pince van der Aa, werkzaam voor Hylkema Consultants B.V., en ing. C.H. Zadelhoff, werkzaam voor Overwater Rentmeesterskantoor B.V ter zitting als deskundigen gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, onder b, sub 1, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet), worden onder monumenten verstaan alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan de minister ambtshalve onroerende monumenten als beschermd monument aanwijzen.

Bij besluit van 18 december 2008 (Stcrt. 2009, 169) heeft de minister de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2009 (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld.

Volgens artikel 10, tweede lid, in verband met het eerste lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel is op een monument ten aanzien waarvan voor 1 januari 2009 de procedure als bedoeld in artikel 3 van de wet, zoals dat artikel op 31 december 2008 luidde, is aangevangen, het bepaalde in de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 (hierna: de Tijdelijke Beleidsregel) van overeenkomstige toepassing.

Volgens artikel 2 van de Tijdelijke Beleidsregel wijst de minister geen monumenten aan als bedoeld in artikel 1, onder b, sub 1, van de Monumentenwet die zijn vervaardigd vóór 1940.

Volgens artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, zijn de artikelen 2, 3, 4 en 5 niet van toepassing op een monument, ten aanzien waarvan vóór 23 juli 2004 door of namens de minister bij belanghebbenden dan wel provincie of gemeente het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt, dat het zal worden aangewezen.

2.2. Bij besluit van 7 december 2007, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 26 maart 2009, heeft de minister de percelen, kadastraal bekend als gemeente Wassenaar, sectie F, nummers 9358, 4094 en 9581, als samenstellende onderdelen van de buitenplaats "Backershagen" aangewezen als rijksmonument, omdat zij onderdeel zijn van de historische tuin- en parkaanleg, die van algemeen cultuur-, architectuur- en tuinhistorisch belang is:

- vanwege de ouderdom;

- vanwege de 18de-eeuwse aanleg in vroeg romantische Anglo-Chinese landschapsstijl die door kleinschalige heuvelstructuur, slingerpaden en grot een zeer grote zeldzaamheidswaarde vertegenwoordigt;

- vanwege de bijzondere samenhang van de verschillende landschappelijke parkdelen, daterend uit diverse perioden en ontworpen door onder meer Zocher jr., Petzold en Springer. Voor het oeuvre van de tuinarchitect C.E.A. Petzold vanwege kenmerkende aanleg van boomgroepen en solitairen en oprijlaan tussen het huis en de Rijksstraatweg.

2.3. [appellant] betoogt, dat de rechtbank heeft miskend, dat bij hem noch bij de provincie of gemeente vóór 23 juli 2004 door of namens de minster het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt, dat de percelen als rijksmonument worden aangewezen. Gelet hierop is artikel 2 van de Tijdelijke Beleidsregel van toepassing en had de aanwijzing niet mogen plaatsvinden, aldus [appellant].

2.3.1. In de brief van de gemeente Wassenaar van 25 september 2000 verzoekt de gemeente het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te adviseren een aantal geselecteerde objecten en complexen aan te wijzen als rijksmonument. In de brief is vermeld, dat dit verzoek geen betrekking heeft op, onder andere, het complex Backershagen, omdat de aanwijzing van dit complex in procedure zal worden gebracht in het kader van de Verfijningsoperatie historische buitenplaatsen. Uit de brief volgt dat de gemeente en de provincie reeds vóór 23 juli 2004 ervan op de hoogte waren dat de procedure tot aanwijzing van buitenplaats Backershagen tot rijksmonument zou worden gestart. Nu de gemeente om die reden het complex niet heeft opgenomen in het aanwijzingsadvies, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 6, tweede lid, onder b, van de Tijdelijke Beleidsregel. Dat, zoals [appellant] stelt, uit de brief niet kan worden afgeleid op welke complexonderdelen de aanwijzing betrekking heeft, doet daar niet aan af, nu ter zitting is komen vast te staan dat de percelen van [appellant] deel uitmaken van buitenplaats Backershagen, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. Gelet hierop heeft de rechtbank artikel 2 van de Tijdelijke Beleidsregel terecht niet van toepassing geacht. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de percelen onvoldoende monumentale waarde hebben om als rijksmonument te kunnen worden aangewezen. Volgens [appellant] hebben de percelen nimmer deel uitgemaakt van de historische tuin- en parkaanleg en bestaat er geen ruimtelijke en functionele samenhang tussen de percelen en de buitenplaats. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [appellant] verwezen naar het in beroep overgelegde rapport "Notitie inzake de historische ontwikkeling van de tuin- en parkaanleg van de vm. buitenplaats Backershagen" uit 2010 (hierna: het rapport) dat in opdracht van [appellant] is opgesteld door Hylkema Consultants B.V.

2.4.1. Alvorens de percelen aan te wijzen als rijksmonument, heeft de minister in overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) om advies gevraagd en de Raad voor Cultuur (hierna: de Raad) gehoord. De Raad heeft bij brief van 5 maart 2007 naar voren gebracht in te kunnen stemmen met de redengevende omschrijving van het complex en de begrenzing van het te beschermen gebied en een positief advies uitgebracht. Bij brief van 7 maart 2007 heeft ook het college positief geadviseerd. In de regel dient aan deze adviezen groot gewicht te worden toegekend. Verder heeft de minister in de redengevende omschrijving, de motivering bij het primaire besluit, het ambtsbericht van 2 april 2008 dat aan het besluit op bezwaar ten grondslag ligt en het aanvullend verweerschrift van 14 oktober 2010 gemotiveerd uiteengezet dat de percelen onderdeel uitmaken van de historische tuin- en parkaanleg.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding te twijfelen aan de door de minster gegeven uiteenzetting. Op het perceel nummer 9358 zijn vooral de vaarsloot en de zichtlijn richting het dorp Wassenaar van belang. Voldoende gemotiveerd is dat de vaarsloot, die er al in 1661 lag, functioneel diende voor de buitenplaats en onderdeel is van de park- en tuinaanleg, doordat zij ver is doorgetrokken in de rest van het park waar zij overgaat in onder andere een vijverkom. Het belang van de zichtlijn blijkt onder meer uit een servituut dat rond 1800 op een nabijgelegen perceel was gevestigd. Door dit servituut was eigenaresse Clara Elisabeth Backer verzekerd van een vrij uitzicht over perceel nummer 9358 richting het dorp Wassenaar. Op perceel nummer 4094 is vooral de weide van belang, die is gelegen in de zichtlijn vanuit het hoofdhuis richting de vijver in het noordoosten. Het door [appellant] ingenomen standpunt dat deze zichtlijn, getuige een foto uit 1967 en een kadastrale minuut uit omstreeks 1830, pas is ontstaan na de realisatie van het nieuwe hoofdhuis in 1985, wordt niet gevolgd. Uit deze stukken blijkt niet dat deze zichtlijn in de historische park- en tuinaanleg niet aanwezig was. Perceel nummer 9581 is van belang vanwege het parkbos dat uit de vroegste parkfase stamt en de buitenplaatsen Backershagen en De Paauw aaneensmeedde. De omstandigheid dat het bos in het kadaster is aangeduid met de term hakhout, betekent niet, zoals [appellant] stelt, dat het bos slechts diende om hakhout voort te brengen. Gelet op de aangelegde wandelpaden en stinzenplanten had het bos tevens een recreatieve functie. Het standpunt van de minister dat sprake is van een parkbos is voldoende onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de percelen onderdeel uitmaken van de historische tuinontwerpen. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de percelen aan te wijzen als rijksmonument. Hiertoe voert [appellant] aan dat het vergunningenstelsel dat als gevolg van de aanwijzing van toepassing is, leidt tot een onevenredige beperking van het eigendomsrecht, waaronder het recht om de percelen een andere bestemming te geven. Voorts leidt de aanwijzing volgens [appellant] tot een waardevermindering van de percelen. [appellant] verwijst in dit verband naar een taxatierapport, dat in opdracht van hem is opgesteld door Overwater Rentmeesterskantoor B.V., waarin de totale waardevermindering van de percelen wordt geschat op € 127.008,00.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door [appellant] gestelde inbreuk op het eigendomsrecht niet met zich brengt dat de minister van de aanwijzing had moeten afzien. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de aanwijzing naar haar aard, ter bescherming van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaats, een inmenging in het eigendomsrecht betekent, maar dat de aanwijzing niet zonder meer tot gevolg heeft dat veranderingen aan het monument met het oog op een doelmatig gebruik niet meer mogelijk zouden zijn. Of in dit geval herbestemming van de percelen mogelijk is, kan worden bezien in het kader van het in de Monumentenwet neergelegde vergunningenstelsel, indien [appellant] om een zodanige vergunning verzoekt.

Voorts biedt ook de door [appellant] gestelde waardevermindering geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de percelen aan te wijzen als rijksmonument. De percelen hebben de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik". De gestelde waardevermindering is gebaseerd op de verwachting dat de aanwijzing in de weg zal staan aan een bestemmingswijziging die woningbouw op de percelen mogelijk zal maken. Er bestaat evenwel geen aanleiding om te veronderstellen dat een bestemmingswijziging plaats zal vinden die een dergelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De gestelde waardevermindering is derhalve niet aannemelijk.

2.6. Tenslotte betoogt [appellant] dat het aanwijzingsbeleid van de minister inconsistent is, omdat niet duidelijk is waarom de percelen aan de Paauwlaan, die ook tot buitenplaats Backershagen hebben behoord, niet als rijksmonument zijn aangewezen.

2.6.1. De minister heeft naar voren gebracht dat deze percelen aan de Paauwlaan, die veelal een nieuwe tuinaanleg hebben, wat functie en compositie betreft geen rol spelen in de parkaanleg. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding aan dit standpunt te twijfelen, zodat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de percelen buiten de aanwijzing te houden. Van een inconsistent aanwijzingsbeleid is geen sprake.

2.7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

362-686.