Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201009446/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan MVG een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009446/1/M1.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mengvoeder Groep B.V. (hierna: MVG), gevestigd te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan MVG een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Bij besluit van 1 september 2010, verzonden op 13 september 2010, heeft het college het door MVG hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard alsmede het besluit van 11 maart 2010 gewijzigd.

Tegen dit besluit heeft MVG bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2010, beroep ingesteld.

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het college het besluit van 1 september 2010 gewijzigd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

MVG heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2011, waar MVG, vertegenwoordigd door J.G.M. Bökkers, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. van Bart, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.6, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het besluit tot handhaving voor de inwerkingtreding van de Wabo is genomen.

In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 11 maart 2010 is aan MVG een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit. De last houdt in dat MVG vóór 7 mei 2010 een rapport met de resultaten van een aanvullend onderzoek naar de bodemkwaliteit dient in te dienen bij het college.

Bij besluit van 1 september 2010 is de begunstigingstermijn verlengd tot en met 1 januari 2011 en zijn de bedragen van de dwangsom gewijzigd.

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het college het besluit van 1 september 2010 gewijzigd in die zin dat het college de hoogte van de dwangsom overeenkomstig het besluit van 11 maart 2010 heeft vastgesteld op € 1.000 per week met een maximum van tien weken, waarmee de totale hoogte op maximaal € 10.000 komt. Het besluit van 21 oktober 2010 is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 21 oktober 2010, nu dat besluit niet geheel aan het beroep tegemoet komt.

2.3. MVG betoogt dat zij niet als overtreder van artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit kan worden aangemerkt, zodat de last onder dwangsom ten onrechte aan haar is opgelegd. Daartoe voert MVG aan dat zij sinds 1 juni 1999 niet de drijver van de inrichting is geweest. Per die datum heeft zij het tankstation aan [bedrijf] verhuurd, aldus MVG. Volgens MVG hebben [bedrijf] en de rechtsopvolger van [bedrijf], Oliecentrale Nederland B.V. (hierna: OCN), het tankstation voor hun rekening en risico geëxploiteerd, totdat OCN per 31 mei 2009 de huur en de exploitatie heeft beëindigd. Bovendien heeft OCN een eindsituatie bodemonderzoek doen verrichten en het rapport ‘Eindsituatie bodemonderzoek ter plaatse van het Brandstof Service Punt aan de Larenseweg 48 te Holten’ van mei 2009 aan het college toegezonden, aldus MVG. Volgens haar is daarmee tevens gemeld dat OCN de exploitatie van het tankstation alsmede de opslag van vloeibare brandstoffen heeft beëindigd. In dit verband voert MVG aan dat uit een brief van het college van 10 juni 2009 blijkt dat het college eerst OCN heeft opgedragen om een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren. Voorts voert zij aan dat OCN de veroorzaker van de verontreiniging is en dat OCN ruim voor het einde van de huur en de exploitatie bekend was met de verontreiniging. Volgens MVG kon OCN dan ook passende maatregelen treffen voor het einde van de huur en exploitatie. Bovendien is OCN gelet op de huurovereenkomst eindverantwoordelijk voor haar exploitatie, aldus MVG. Daarnaast voert MVG aan dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of OCN als mede-overtreder kan worden aangemerkt.

2.3.1. Het college betoogt dat MVG terecht als overtreder van artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit is aangemerkt, omdat zij kan worden beschouwd als drijver van de inrichting. Daartoe voert het college aan dat MVG eigenaar is van het tankstation en dat OCN per 31 mei 2009 de huur heeft beëindigd. Voorts voert het college aan dat MVG gelet op artikel 4, eerste lid, en artikel 6, tweede lid, van de tussen MVG en [bedrijf] gesloten huurovereenkomst, verantwoordelijk is voor de naleving van de uit de regelgeving voortvloeiende eisen betreffende de inrichting. Bovendien heeft MVG zich altijd gedragen als drijver van de inrichting, aldus het college. In dit verband voert het college aan dat MVG steeds is aangesproken op naleving van de milieuwetgeving en daadwerkelijk ook de voor naleving benodigde handelingen heeft verricht en dat MVG een aantal meldingen als bedoeld in de Wet milieubeheer heeft gedaan. Daarnaast wijst het college op de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 20 juli 2010 in zaken nrs. 201005563/1/M1 en 201005563/2/M1.

2.3.2. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 1.4, tweede lid, van het Activiteitenbesluit voldoet degene die een inrichting type B drijft aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Ingevolge artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit wordt, indien binnen de inrichting een bodembedreigende activiteit is verricht, uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit toegezonden aan het bevoegd gezag. In dit rapport wordt ten minste vermeld:

a. de naam en adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

b. de wijze waarop het onderzoek is verricht;

c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigende stoffen en de herkomst daarvan;

d. de mate waarin de bodemkwaliteit is gewijzigd ten opzichte van de situatie bij de oprichting of de verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd in een rapport;

e. de wijze waarop en de mate waarin de bodemkwaliteit wordt hersteld als bedoeld in het vijfde lid.

2.3.3. De Afdeling stelt vast dat de voorzitter van de Afdeling bij uitspraak van 20 juli 2010 in zaken nrs. 201005563/1/M1 en 201005563/2/M1 heeft overwogen dat het college MVG terecht als drijver van de inrichting en derhalve als overtreder van artikel 3.37, derde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer heeft aangemerkt. Aangezien niet is gebleken dat de voor deze vaststelling relevante omstandigheden sedertdien zijn gewijzigd, is er voor de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat MVG eigenaar is van het tankstation met de bijbehorende winkel, de ondergrond en de ondergrondse opslagtanks en leidingen, MVG per 1 juni 1999 het perceel grond waarop het tankstation met ondergrondse opslagtanks en leidingen is gesitueerd heeft verhuurd aan [bedrijf] en de rechtsopvolger van [bedrijf], OCN, en OCN per 31 mei 2009 de huur heeft beëindigd. Naar het oordeel van de Afdeling is MVG dan ook verantwoordelijk voor de naleving van de uit de regelgeving voortvloeiende eisen betreffende de inrichting.

In artikel 4, eerste lid, van de tussen MVG en [bedrijf] gesloten huurovereenkomst is bepaald dat de verhuurder ervoor dient te zorgen dat het tankstation voldoet aan de daarvoor door de wet en/of plaatselijke verordening te stellen (milieu) eisen en in artikel 6, tweede lid, is bepaald dat het de verantwoordelijkheid van de verhuurder is dat het tankstation aan de noodzakelijke vergunningen voldoet. Mede gelet hierop moet worden geoordeeld dat MVG ook ten tijde van de looptijd van de huuroverkomst verantwoordelijk was voor de naleving van de uit de regelgeving voortvloeiende eisen betreffende de inrichting.

Het college heeft MVG dan ook terecht als drijver van de inrichting en derhalve als overtreder van artikel 2.11, derde lid, van het Activiteitenbesluit aangemerkt. In hetgeen MVG voor het overige aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat OCN moet worden geacht mede-drijver van de inrichting, en daarmee eveneens overtreder, te zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. MVG verzoekt de Afdeling het college op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het niet opnieuw kunnen verhuren van het tankstation.

2.5.1. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb kan, indien het beroep gegrond wordt verklaard, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

2.5.2. Reeds omdat artikel 8:73 van de Awb niet de mogelijkheid biedt schadevergoeding toe te kennen ingeval het beroep ongegrond wordt verklaard, dient het verzoek van MVG om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

195-625.