Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7120

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201012704/1/R2 en 201012704/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Kruisweg 1 te Buurmalsen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012704/1/R2 en 201012704/2/R2.

Datum uitspraak: 3 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen, (hierna: het college)

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Kruisweg 1 te Buurmalsen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2010, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 februari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.C.M. Damming, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Kun en drs. F. Schmidt, beiden werkzaam bij de gemeente, en vergezeld door ing. H.J. Geling, werkzaam bij de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen (hierna: de SAAB), zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. S. Schuurman, advocaat te Arnhem, als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Planbeschrijving

2.2. Het plan voorziet in wijziging en vergroting van het bouwvlak van de melkveehouderij van [belanghebbende] die is gevestigd aan de [locatie 1]-[locatie 2] in Buurmalsen. De reden voor het plan is dat [belanghebbende] aan de zuidwestelijke kant van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing een nieuwe rundveestal wenst te bouwen, die niet binnen het verbale bouwvlak past van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied".

Bevoegdheidsgebrek

2.3. [appellante] betoogt dat het college niet bevoegd is om het onderhavige wijzigingsplan vast te stellen, omdat de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 16, vierde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" volgens haar uitsluitend de bevoegdheid geeft om een bouwvlak te vergroten, maar niet om tevens de uitbreidingsrichting te veranderen.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 16, vierde lid, van de planvoorschriften een aantal vereisten in acht moet worden genomen. Nu bij deze vereisten geen koppeling is gelegd met de op de plankaart aangegeven uitbreidingsrichtingen van een verbaal bouwvlak, is het wijzigingsplan niet in strijd met het geldende bestemmingsplan vastgesteld volgens het college.

2.3.2. Het plangebied ligt binnen de bestemming "Landelijk gebied I" en ingevolge artikel 4, tweede lid, onder a, sub 1, van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" dient agrarische bebouwing aan te sluiten bij de op de plankaart aangegeven uitbreidingsrichting. Blijkens de plankaart geldt voor het bedrijf van [belanghebbende] als uitbreidingsrichting een noordwestelijke dan wel noordoostelijke richting.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover hier van belang, worden de gebouwen gegroepeerd binnen een denkbeeldige rechthoek van 1 hectare en van deze rechthoek bedraagt de breedte - gemeten langs de weg - niet meer dan 80 meter en de diepte niet meer dan 160 meter.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" kan het college dit plan wijzigen ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak tot een oppervlakte van ten hoogste 1,5 hectare. Hierbij gelden als vereisten dat de breedte langs de weg niet meer dan 150 meter mag bedragen, de wijziging geen betrekking mag hebben op glastuinbouwbedrijven en dat de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond.

2.3.3. De aanduidingen op de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied" die de twee uitbreidingsrichtingen aangeven zijn benodigd om de locatie van het denkbeeldige bouwvlak in de vorm van een rechthoek te kunnen bepalen en zien uitsluitend op hetgeen het bestemmingsplan "Buitengebied" bij recht toestaat. Voor nieuwe agrarische bebouwing die niet binnen het denkbeeldige bouwvlak past, geeft het plan de mogelijkheid de wijzigingsprocedure te volgen. Nu in het voorliggende wijzigingsplan derhalve geen denkbeeldig bouwvlak als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften aan de orde is, maar het bouwvlak nader is gepreciseerd door middel van de aanduiding 'bouwvlak' op de verbeelding, is daarmee de noodzaak tot het hanteren van aanduidingen die de uitbreidingsrichting aangeven komen te vervallen.

Bij het gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid dient het college de daaraan in artikel 16 van de planvoorschriften gestelde grenzen in acht te nemen en omtrent de uitbreidingsrichting is hieraan geen begrenzing gesteld. Anders dan [appellante] betoogt, houdt de formulering van de begrenzing van de wijzigingsbevoegdheid dan ook niet in dat het college bij het uitoefenen van die bevoegdheid niet van de aangeduide uitbreidingsrichtingen op de plankaart van het bestemmingsplan "Buitengebied" zou mogen afwijken. Dit betoog faalt.

Het beroep voor het overige

2.4. [appellante] betoogt dat geen ruimtelijke of bedrijfseconomische noodzaak bestaat om het bouwvlak in zuidwestelijke richting uit te breiden. Op het huidige bouwvlak van het bedrijf kan ruimte gemaakt worden door in de noordoostelijke hoek van het denkbeeldige bouwvlak een deel van een bestaande sleufsilo te verwijderen, waardoor het bouwvlak compact blijft. Ook uit bedrijfseconomisch oogpunt is het bouwen van de nieuwe stal aan de westzijde volgens [appellante] niet noodzakelijk. Daarnaast voert [appellante] aan dat tussen de nieuwe stal en zijn woning niet wordt voldaan aan de richtafstand van 100 meter die de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aanbeveelt. Tevens leidt de bouw van de nieuwe stal tot een verlies van het bestaande vrije uitzicht vanuit de woning van [appellante] en tot een waardedaling van de woning.

2.5. Het college stelt zich op het standpunt dat uitbreiding van het agrarische bedrijf in de op de plankaart aangegeven uitbreidingsrichtingen geen reële optie is vanwege de bestaande bebouwing ter plaatse. Bovendien zou dit leiden tot een ondoelmatige bedrijfsvoering met negatieve bedrijfseconomische gevolgen. De situering van de nieuwe stal aan de zuidwestzijde van de bestaande bebouwing is volgens het college uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat in dit geval niet de VNG-brochure, maar de normen uit de specifieke milieuwetgeving dienen te worden toegepast. De stal zal in het zicht van de woning van [appellante] worden gebouwd, maar vrij uitzicht is planologisch niet verzekerd en in dit geval dient de bedrijfsvoering te prevaleren boven behoud van het vrije uitzicht, aldus het college.

2.6. Wat betreft de ruimtelijke noodzaak tot vergroting van het bouwvlak, overweegt de voorzitter dat niet in geschil is dat binnen het huidige denkbeeldige bouwvlak geen ruimte meer is voor de beoogde rundveestal. Althans, niet zonder bestaande bebouwing te slopen. Nog daargelaten dat het slopen en herbouwen van bestaande, goed functionerende bedrijfsbebouwing een vorm van kapitaalvernietiging is, zou in dit geval daarmee het gebrek aan ruimte op het huidige bouwvlak niet worden weggenomen. In zoverre heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat geen ruimtelijke noodzaak bestaat tot vergroting van het denkbeeldige bouwvlak.

2.7. In welke richting het bouwvlak vergroot dient te worden hangt mede af van de bedrijfseconomische noodzaak daartoe, wat ook als vereiste voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen.

Ten aanzien van de bedrijfseconomische noodzaak tot het bouwen van een rundveestal op de beoogde locatie aan de zuidwestzijde van het bedrijf is door de SAAB op 19 juni 2009 een advies uitgebracht. In reactie op de ingediende zienswijzen heeft de SAAB op 7 oktober 2010 een nadere beoordeling gegeven van de bedrijfseconomische noodzaak. Gelet op de huidige situering van de bestaande bedrijfsgebouwen, de bovengrondse mestopslagsilo en de vijf voeropslagen alsmede gezien de route op het bedrijf, concludeert de SAAB in beide rapporten dat vergroting van het bouwvlak in zuidwestelijke richting noodzakelijk is uit bedrijfseconomisch oogpunt. Indien de nieuwe rundveestal ten noordwesten of noordoosten van het huidige denkbeeldige bouwvlak gebouwd zou worden, leidt dit tot een zeer afgelegen ligging ten opzichte van de bestaande stallen en ontstaat een zeer onpraktische en lange route. Tevens zou in dat geval de noodzakelijke controle en het toezicht op de veestapel niet accuraat kunnen worden uitgevoerd. Het bouwen van de nieuwe stal in een van op de plankaart aangeduide uitbreidingsrichtingen zou volgens de SAAB leiden tot een ondoelmatige bedrijfsvoering met negatieve bedrijfseconomische gevolgen.

In opdracht van [appellante] heeft het adviesbureau Pietersma & Spoelstra op 9 februari 2011 het rapport 'Ruimtelijke effecten uitbreiding agrarisch bouwperceel [locatie 1] Buurmalsen' uitgebracht. Daarin wordt de bedrijfseconomische noodzaak tot het situeren van de nieuwe stal ten westen van de bestaande bedrijfsbebouwing niet weerlegd.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding om te twijfelen aan de bedrijfseconomische noodzaak tot het vergroten van het denkbeeldige bouwvlak in zuidwestelijke richting.

2.8. Voor zover [appellante] beoogt aan te voeren dat uitbreiding in zuidwestelijke richting leidt tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit, overweegt de voorzitter dat door het plan het bouwvlak breder wordt - van 80 meter naar 150 meter - zodat het zicht vanaf de Kruisweg op het achterliggende open landschap inderdaad iets afneemt.

Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. Daarbij komt het college evenwel een door de bestuursrechter te respecteren beslissingsruimte toe.

Gezien het feit dat het een agrarisch gebied betreft heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van het plan weliswaar de ruimtelijke kwaliteit enigszins wordt aangetast, maar dat in het buitengebied agrarische bedrijfsvoering prioriteit heeft en dat daaraan in dit geval een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

2.9. Wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning van [appellante], heeft het college in redelijkheid kunnen aansluiten bij de afstanden die worden gehanteerd in de toepasselijke milieuwetgeving en behoefde het college niet uit te gaan van de aanbevolen afstanden in de VNG-brochure.

2.9.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit landbouw is dit besluit van toepassing op een melkrundveehouderij.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit landbouw is het besluit niet van toepassing op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit landbouw wordt verstaan onder een categorie III object: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent. Onder een categorie IV object wordt verstaan: een woning behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn of verspreid liggende niet-agrarische bebouwing. Onder een categorie V object wordt verstaan: een woning behorend bij een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn.

2.9.2. Gelet op het hiervoor overwogene dient voor de toepasselijkheid van het Besluit landbouw op de melkveehouderij van [belanghebbende] tussen de agrarische bedrijfswoning van [appellante] en de nieuwe rundveestal een afstand van minstens 50 meter te worden aangehouden. Blijkens de verbeelding is de afstand tussen de rand van het bouwvlak van het bedrijf van [belanghebbende] en de woning van [appellante] ongeveer 60 meter en voldoet daarmee aan de vereiste afstand. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellante].

2.10. Ten aanzien van het gestelde verlies aan uitzicht, overweegt de voorzitter dat niet in geschil is dat het plan leidt tot aantasting van het thans betrekkelijk vrije uitzicht van [appellante] in noordwestelijke richting. Gelet op de afstand en het feit dat de nieuwe stal niet het volledige uitzicht in noordwestelijke richting zal wegnemen, heeft het college dit beperkte verlies aan uitzicht ten gevolge van het plan voor [appellante] niet onevenredig nadelig behoeven te achten.

Wat betreft de mogelijk nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante] bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.11. De conclusie is dat de voorzitter van oordeel is, dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2011

571.