Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201010657/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 7 september 2010, kenmerken 1712784 en 1712796, heeft het college van gedeputeerde staten besloten omtrent de goedkeuring van de door het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk vastgestelde uitwerkingsplannen "Terlo, uitwerking 1" en "Terlo, uitwerking 2".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 4.22
Wet milieubeheer 10.30
Waterwet
Waterwet 3.5
Waterwet 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/6032
Milieurecht Totaal 2013/2612 met annotatie van P. Jong
JM 2011/49 met annotatie van Jong
JOM 2011/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010657/2/R3.

Datum uitspraak: 3 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers] (hierna in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Bergeijk,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 7 september 2010, kenmerken 1712784 en 1712796, heeft het college van gedeputeerde staten besloten omtrent de goedkeuring van de door het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk vastgestelde uitwerkingsplannen "Terlo, uitwerking 1" en "Terlo, uitwerking 2".

Tegen deze besluiten heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 februari 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. W. Krijger, vergezeld door M. Jansen, deskundige, is verschenen.

Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. Th. Duffhues en A. Oosterwijk, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] betoogt dat onvoldoende zeker is of voldoende maatregelen mogelijk zijn om te voorkomen dat de met de uitwerkingsplannen mogelijk gemaakte woningbouw de reeds bestaande wateroverlast in de directe omgeving van de plangebieden verergert. [verzoeker] betwijfelt of de aannames en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het ten behoeve van de plannen opgestelde waterhuishoudingsplan juist zijn.

2.3. Volgens het college van burgemeester en wethouders blijkt uit het in verband met de voorziene woningbouw opgestelde waterhuishoudingplan, waarmee het waterschap heeft ingestemd, dat de negatieve gevolgen van de plannen voor de waterhuishouding voldoende kunnen worden tegengegaan. Het college van burgemeester en wethouders wijst er daarbij op dat de Afdeling in haar uitspraak van 25 november 2009, nr. 200806057/1/R2, waarin het bestemmingsplan dat de basis vormt voor de voorliggende plannen aan de orde was, heeft overwogen dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het waterhuishoudingsplan zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont, dat het college van gedeputeerde staten zich hierop niet heeft kunnen baseren.

2.4. De onderhavige procedure leent zich niet voor een uitgebreide beoordeling van de door [verzoeker] aangevoerde bezwaren tegen de resultaten van het verrichte onderzoek naar de gevolgen van de plannen voor de waterhuishouding. Zoals [verzoeker] onder meer aan de hand van beeldmateriaal heeft toegelicht, is in het plangebied en de directe omgeving daarvan periodiek sprake van wateroverlast.

De omstandigheid dat de Afdeling in overweging 2.19 van voornoemde uitspraak van 25 november 2009 heeft geoordeeld dat [verzoeker] in die procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college van gedeputeerde staten zich niet op het waterhuishoudingsplan heeft kunnen baseren, brengt niet zonder meer met zich dat het waterhuishoudingsplan ten grondslag kan worden gelegd aan de voorliggende plannen, gezien het tijdsverloop tussen het nemen van het in die procedure bestreden besluit en het nemen van de thans bestreden besluiten.

In het "Plan van aanpak onderzoek functioneren Breerijt" (Arcadis, 3 februari 2011) staat dat in het weekend van 13 en 14 november 2010 de Breerijt in Bergeijk overstroomde in een gebied waarbinnen de uitbreiding Terlo wordt gerealiseerd. Op basis van het waterhuishoudingsplan Terlo, de berekeningen en de kennis van gemeente en het waterschap kan niet begrepen worden waarom het gebied is overstroomd, zo staat in het plan van aanpak. Omdat de kans bestaat dat de Breerijt in de toekomst weer overstroomt, is het volgens het plan van aanpak nodig om het functioneren van de Breerijt beter inzichtelijk te maken en op basis daarvan maatregelen te bepalen om overlast als gevolg van een overstroming beheersbaar te houden.

Vaststaat dat ook na de bestreden besluiten het waterhuishoudingsplan een aantal keren is aangepast. Een rapport van een onafhankelijke deskundige waaruit blijkt dat -in weerwil van het met een deskundigenrapport onderbouwde standpunt van [verzoeker] - met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat voldoende maatregelen kunnen worden getroffen om te voorkomen dat uitvoering van de plannen leidt tot een verdere toename van de wateroverlast in de omgeving, is niet voorhanden. Thans zijn naar het oordeel van de voorzitter nog niet alle vragen met betrekking tot de waterhuishouding in de plangebieden en de directe omgeving daarvan en het treffen van maatregelen om wateroverlast te voorkomen afdoende beantwoord.

2.5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen en bij afweging van de betrokken belangen aanleiding de bestreden besluiten te schorsen.

Daarbij wijst de voorzitter er op dat indien uit door een onafhankelijke partij uit te brengen deskundigenrapport mocht blijken dat voldoende maatregelen kunnen worden getroffen om nadelige effecten van de plannen op de waterhuishouding in de omgeving tegen te gaan, een verzoek kan worden gedaan tot opheffing of wijziging van de getroffen voorlopige voorziening. Van belang is dat bij een eventueel uit te brengen rapport de kritiek van de door [verzoeker] ingeschakelde deskundige op het waterhuishoudingsplan wordt betrokken. Voorts is van belang dat daarbij wordt betrokken of, en zo ja, in hoeverre, uit het onderzoek naar de waterhuishouding in de plangebieden en de omgeving daarvan in het kader van het eerdergenoemde plan van aanpak blijkt dat het treffen van aanvullende maatregelen nodig en mogelijk is om nadelige effecten op de waterhuishouding in de omgeving van het plangebied tegen te gaan.

2.6. Het college dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten. Nu het aantal uren dat is besteed aan een in opdracht van [verzoeker] uitgebracht deskundigenrapport niet is vermeld, kunnen de in verband hiermee gemaakte kosten in de onderhavige procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 september 2010 met de kenmerken 1712784 en 1712796, waarbij goedkeuring is verleend aan de uitwerkingsplannen "Terlo, uitwerking 1" en "Terlo, uitwerking 2" van de gemeente Bergeijk;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.248,22 (zegge: twaalfhonderdachtenveertig euro en tweeëntwintig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2011

528.