Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201012504/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Molenstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012504/2/R3.

Datum uitspraak: 3 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A], wonend te [woonplaats], en [verzoeker B], wonend te [woonplaats], (hierna in enkelvoud: [verzoeker]),

en

de raad van de gemeente Best,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Molenstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 februari 2011, waar [verzoeker], bij monde van [verzoeker A], bijgestaan door M.A.M. Jonkers, werkzaam bij Jonkers Advies, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Stark en mr. J. Crommentuijn, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan vormt een onderdeel van de voorgenomen centrumontwikkeling van Best en maakt de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk.

2.3. [verzoeker] heeft het naast het plangebied gelegen perceel, kadastraal bekend als gemeente Best, sectie H, nummer 6056, in eigendom. [verzoeker] betoogt recht te hebben op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Best, sectie H, nummer 6055, dat binnen het plangebied is gelegen. Daartoe wijst hij er op dat het perceel nummer 6055, waarvan hij in het verleden een deel heeft verkocht aan ProRail, door ProRail is doorverkocht aan de gemeente, terwijl ProRail daartoe niet gerechtigd was in verband met contractuele verplichtingen jegens [verzoeker], van welke verplichtingen de gemeente op de hoogte was.

In het kader van de onderhavige procedure gaat de voorzitter uit van de eigendomsverhoudingen, zoals deze thans vastliggen en ontleent [verzoeker] zijn belang bij het bestreden besluit dan ook slechts aan de hoedanigheid van eigenaar van het perceel nummer 6056.

2.4. [verzoeker] voert bezwaren aan met betrekking tot externe veiligheid en trillinghinder in verband met een bestaande spoorlijn en gasleiding nabij de voorziene woningen en met betrekking tot de terinzagelegging met het ontwerpplan van een aantal rapporten over externe veiligheid en trillinghinder. Voorts voert hij bezwaren aan met betrekking tot de vaststelling van hogere grenswaarden voor geluidsbelasting voor de voorziene woningen.

2.4.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in verbinding met categorie 3, onder 3.1 van bijlage I van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) kan worden afgeleid dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

2.4.2. [verzoeker] beroept zich op de richtwaarden inzake het voorkomen van trillinghinder en normen inzake het beperken van groepsrisico in het kader van de externe veiligheid. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat met deze normen verbonden bezwaren geen betrekking hebben op het eigen perceel van [verzoeker] dat grenst aan het plangebied en dat hij geen gevolgen voor wat betreft trillinghinder of externe veiligheidsrisico's ondervindt van de door het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.

De door [verzoeker] ingeroepen normen betreffen normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat in de nieuw op te richten woningen.

Het voorgaande en hetgeen de Afdeling in overweging 2.4.3. van haar uitspraak van 19 januari 2011, zaaknr. 201006426/1/R2 heeft overwogen leidt de voorzitter tot het voorlopig oordeel dat [verzoeker] zich niet op de in geding zijnde normen kan beroepen. Voor [verzoeker] gaat het immers om het belang dat het aan het plangebied grenzende perceel met het nummer 6055 waarvan hij eigenaar is, gevrijwaard blijft van de invloed van woningbouw op de naast gelegen gronden. Wat er verder ook zij van die belangen in het licht van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, de in geding zijnde normen voor het voorkomen van trillinghinder en beperken van veiligheidsrisico's hebben niet de strekking die belangen te beschermen. De voorzitter verwacht daarom dat daargelaten of deze beroepsgrond in de hoofdzaak zou slagen, de Afdeling dit betoog buiten beschouwing zal laten, nu artikel 1.9 van de Chw er naar voorlopig oordeel niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Dit geldt eveneens voor het aangevoerde met betrekking tot het vaststellen van hogere grenswaarden voor de toegestane geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen.

2.5. [verzoeker] betoogt dat ten onrechte niet alle rapporten met resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de flora en fauna ter inzage hebben gelegen met het ontwerpplan.

2.5.1. Vaststaat dat het rapport "Quickscan flora en fauna" (Croonen Adviseurs, 15 september 2009), zowel met het ontwerpplan, als met het vastgestelde plan ter inzage heeft gelegen. Het rapport "Aanvullend onderzoek vleermuizen en vogels" (Croonen Adviseurs, 30 augustus 2010) dateert van na de terinzagelegging van het ontwerpplan en kon dan ook niet met het ontwerpplan ter inzage worden gelegd. Naar verwachting zal hetgeen [verzoeker] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding geven voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. [verzoeker] voert aan dat de bekendmaking van het vastgestelde plan niet heeft plaatsgevonden op de wettelijk voorgeschreven wijze.

2.6.1. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.7. Wat betreft het bezwaar van [verzoeker] dat onvoldoende is gereageerd op de mondelinge toelichting op zijn zienswijze, overweegt de voorzitter dat voorshands geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onvoldoende op de in zijn zienswijze aangevoerde bezwaren is gereageerd. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten ten onrechte niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.8. [verzoeker] betoogt dat het plan zal leiden tot aanzienlijke schaduwwerking en een mogelijke inbreuk op de privacy door het in het plangebied voorziene appartementencomplex met een feitelijke bouwhoogte van 19 m.

2.8.1. Met betrekking tot dit bezwaar overweegt de voorzitter dat schaduwwerking en verminderde privacy met name te verwachten valt van de bebouwing die het plan mogelijk maakt op de twee percelen waarop woningen zijn voorzien die liggen ten zuiden van de Molenstraat, tussen het perceel van [verzoeker] en de Molenstraat, en niet van het voorziene appartementencomplex ten noorden van de Molenstraat, op meer dan 45 m van het perceel van [verzoeker].

De raad heeft met betrekking tot de bouwmogelijkheden ten zuiden van de Molenstraat toegelicht dat het stedenbouwkundig plan ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan is aangepast, waardoor ter plaatse uitsluitend grondgebonden woningen zijn beoogd die bestaan uit twee bouwlagen met een kap, conform de bestaande bebouwing in de omgeving van het plangebied. Volgens de raad bedragen de bij recht toegestane maximale goot- en bouwhoogte hier onderscheidenlijk 7 m en 11 m, waarmee recht wordt gedaan aan de huidige stedenbouwkundige karakteristiek van het gebied. Om tegemoet te komen aan [verzoeker] is de grens van het bouwvlak aangepast en op 3 m van zijn perceelsgrens gesitueerd, conform de overige bouwvlakken binnen het plangebied en in overeenstemming met hetgeen in bestemmingsplannen binnen de gemeente Best gebruikelijk is, aldus de raad. Door het aanhouden van een dergelijke afstand wordt het woongenot volgens de raad niet onevenredig geschaad.

Gelet op deze toelichting van de raad geeft het aangevoerde naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat betreft schaduwwerking en vermindering van privacy op het perceel van [verzoeker] geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare situatie.

2.9. [verzoeker] betoogt dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat de gevolgen zijn van het vervallen van de parkeerfunctie van gronden in het plangebied ten behoeve van het naast het plangebied gelegen stationsgebouw voor de parkeerdruk in het plangebied en de directe omgeving daarvan.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen extra parkeerdruk zal ontstaan voor de omgeving. Het door [verzoeker] bedoelde te vervallen parkeerterrein voor de Nederlandse Spoorwegen was een tijdelijk parkeerterrein dat is aangelegd door middel van een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor een tijdelijk project van 2008 tot 2010. Omdat het een tijdelijk project betrof, bestaat volgens de raad geen noodzaak om te onderbouwen wat de gevolgen zijn van het vervallen van de parkeerfunctie voor het parkeren. Als weer sprake zal zijn van een intercitystop zal dan worden bekeken waar in parkeerruimte kan worden voorzien, aldus de raad.

[verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in weerwil van de toelichting van de raad op dit punt, de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in voldoende parkeerruimte voorziet.

2.10. [verzoeker] betoogt dat aan het ten oosten van het plangebied gesitueerde rijksmonument de molen 'De volharding' onvoldoende bescherming wordt geboden.

2.10.1. Ter zitting heeft de raad aan de hand van de planverbeelding geadstrueerd dat aan de oostzijde van het plangebied al sprake is van bestaande bebouwing die de molen afschermt van de rest van het plangebied. Ter zitting heeft de raad onweersproken verklaard dat het plan ten aanzien van die bebouwing geen verruiming van de bouwmogelijkheden biedt.

Gelet hierop ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat met de monumentale waarde van de molen onvoldoende rekening is gehouden.

2.11. [verzoeker] voert aan dat sprake is van strijd met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) omdat het plangebied plaats biedt aan de habitat van beschermde diersoorten en/of dient als foerageergebied.

2.11.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor flora en fauna zijn neergelegd in de onder 2.5.1 genoemde rapporten van Croonen Adviseurs van 15 september 2009 en 30 augustus 2010. Volgens de conclusies van deze rapporten zijn geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van de Flora- en faunawet.

De voorzitter is voorshands van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze onderzoeksrapporten zodanige gebreken of onjuistheden vertonen dat de raad zich niet in redelijkheid op basis van die rapporten op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan, nog daargelaten of artikel 1.9 van de Chw op dit punt niet reeds aan de vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

2.12. [verzoeker] voert aan dat twijfel bestaat omtrent de financiële uitvoerbaarheid van het plan, nu onduidelijk is tegen welke prijs de gemeente gronden in het plangebied heeft aangekocht en of daarbij sprake is van staatssteun.

2.12.1. Wat betreft dit betoog overweegt de voorzitter dat, zelfs als zou worden aangenomen dat sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun bij de aankoop van gronden in het plangebied door de gemeente, voor welke aanname de beschikbare stukken overigens geen aanknopingspunten bieden, dit niet in de weg zou kunnen staan aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Partijen die gronden in het plangebied hebben verkocht aan de gemeente hebben dat immers gedaan ten behoeve van de uitvoering van het plan vanwege de gemeente. Een eventuele terugvordering van ongeoorloofde staatssteun bij de verkopende partijen ten gunste van de gemeente kan derhalve reeds daarom niet afdoen aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan, nog daargelaten of artikel 1.9 van de Chw op dit punt niet reeds aan de vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

2.13. Voor zover [verzoeker] betoogt dat bepaalde gronden ten onrechte buiten de begrenzing van het plangebied zijn gelaten, overweegt de voorzitter dat schorsing van het besluit tot vaststelling van het plan, voor zover het betreft een deel van de plangrens, niet met zich brengt dat voor de desbetreffende gronden het door [verzoeker] gewenste planologisch regime geldt totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak. Het treffen van een voorlopige voorziening die dat wel tot gevolg heeft, acht de voorzitter te verstrekkend. In zoverre geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.14. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2011

528.