Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201010551/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college besloten omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 1996, Herziening 70 (Sportpark Boekelo)" van de gemeente Enschede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010551/2/R3.

Datum uitspraak: 3 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college besloten omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 1996, Herziening 70 (Sportpark Boekelo)" van de gemeente Enschede.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] bij afzonderlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2010, beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2010, hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 februari 2011, waar [verzoeker sub 1], in persoon, en [verzoeker sub 2], in persoon, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door T.H.A. Polman, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet onder meer in een sportpark ten zuiden van de Boekelosestraat, nabij de woning van verzoekers. Daarmee is beoogd verplaatsing van de inmiddels gefuseerde voetbalverenigingen BSC en Unisson, thans gevestigd op de terreinen "De Grobbe" en "het Unicum", mogelijk te maken.

2.3. [verzoeker sub 1] voert aan dat de procedure omtrent het bestemmingsplan in het verleden reeds is beëindigd omdat de kosten van de in het plan voorziene ontwikkeling niet waren gedekt en stelt dat ten onrechte de procedure opnieuw is opgestart onder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het college van burgemeester en wethouders aan het eind van het jaar 2008 heeft besloten het plan vooralsnog niet ter vaststelling aan te bieden aan de raad omdat de financiële haalbaarheid op dat moment onvoldoende zeker was. Doordat de raad een aanvullend krediet beschikbaar heeft gesteld en het college van burgemeester en wethouders alsnog overeenstemming bereikte met de grondeigenaren over de verwerving van de voor het sportpark benodigde gronden kon het bestemmingsplan aan het eind van het jaar 2009 alsnog ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe procedure op grond van de Wro, maar van voortzetting van de lopende bestemmingsplanprocedure op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), aldus de raad.

2.3.2. Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden en is de WRO ingetrokken. Ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp voor dat tijdstip ter inzage is gelegd.

Het plan heeft vanaf 27 juni 2008 in ontwerp ter inzage gelegen. Desgevraagd heeft de raad ter zitting verklaard dat enige tijd onzeker is geweest of het plan doorgang zou vinden in verband met onduidelijkheid omtrent de financiële haalbaarheid daarvan, maar dat nooit een formeel besluit is genomen om af te zien van de vaststelling van het plan. Niet is gebleken dat dit onjuist is. Gelet hierop is de bestemmingsplanprocedure niet beëindigd en is ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro de WRO van toepassing op de onderhavige procedure.

2.4. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat bebouwing in het plangebied en de omgeving daarvan in het verleden ongewenst werd geacht en dat het voorziene sportpark leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op hun woon- en leefklimaat.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie Overijssel 2009.

In reactie op de zienswijzen van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] is door het college van burgemeester en wethouders toegelicht dat het Streekplan Overijssel 2000+ niet meer van kracht is en dat de rode contouren uit het streekplan niet meer zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel, die het streekplan heeft vervangen. Volgens de omgevingsvisie dienen de gronden een bestemming te krijgen die bijdraagt aan een aantrekkelijke mix van wonen, werken en recreatie, zodat niet langer sprake is van strijd met een rode contour, zo staat in de reactie op de zienswijzen.

2.4.1.1. De voorzitter is voorshands van oordeel dat het college het plan terecht heeft getoetst aan het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende provinciale beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben niet onderbouwd waarom de voorziene ontwikkeling in strijd zou zijn met het in de omgevingsvisie vervatte provinciale beleid.

2.4.1.2. Vooralsnog ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op basis van de omstandigheid dat aan de afstandseisen van alle relevante milieuaspecten wordt voldaan, te weten minimaal 50 meter tussen het sportpark en woningen ter beperking van licht- en geluidhinder, op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet onevenredig wordt aangetast, mede gelet op de voorziene landschappelijke inpassing van het sportpark. Wat betreft het ter zitting naar voren gebrachte aspect verkeersveiligheid acht de voorzitter aannemelijk dat de ontsluiting van het sportpark zodanig kan worden vormgegeven dat voor een verkeersonveilige situatie ter plaatse van de Boekelosestraat niet behoeft te worden gevreesd.

2.5. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de aanwezige flora en fauna ter plaatse van de omgeving van het plangebied. [verzoeker sub 2] voert verder aan dat als gevolg van het plan waardevolle natuur zal verdwijnen.

2.5.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Naar de effecten van het voorziene sportpark op de flora en fauna in het plangebied en de directe omgeving daarvan is onderzoek verricht, waarvan de resultaten onder meer zijn vervat in het rapport "Flora- en faunaonderzoek Sportpark Boekelo" (Eelerwoude BV, 23 juli 2010). In het rapport staat dat in verband met mogelijke effecten op beschermde soorten in de omgeving van het plangebied, de veldinventarisatie heeft plaatsgevonden in een ruimer begrensd gebied, waarbij onder meer een deel van het aangrenzende Teesinkbos is onderzocht. Volgens de conclusies van het rapport worden op basis van de onderzoeksresultaten met de ontwikkeling van het sportpark geen wezenlijk negatieve effecten verwacht op beschermde soorten en wordt nader (veld)onderzoek of het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk geacht. De aanwezigheid van beschermde soorten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, zo staat in het rapport.

De voorzitter is voorshands van oordeel dat [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat voornoemd onderzoeksrapport van Eelerwoude zodanige gebreken of onjuistheden vertoont dat het college niet in redelijkheid op basis van dat rapport ervan heeft kunnen uitgaan dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

2.5.2. De stelling van [verzoeker sub 2] dat door de aanleg van het sportpark een waardevol natuurgebied verdwijnt is volgens de raad onjuist. Hiertoe wijst hij er op dat ter plaatse van het toekomstige sportpark nu slechts akkerland aanwezig is, dat als zodanig geen bijzondere natuur- of landschapswaarden heeft. De directe omgeving van de locatie, met name het ten zuidwesten van de sportparklocatie gelegen Teesinkbos, heeft die natuur- en landschapswaarden wel, maar die blijven ook onverminderd aanwezig.

2.5.2.1. [verzoeker sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toelichting van de raad op de gevolgen van het plan voor de natuur- en landschapswaarden onjuist is. Gelet hierop bestaat vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan dit aspect onvoldoende belang heeft toegekend bij het nemen van het bestreden besluit.

2.6. [verzoeker sub 1] betoogt dat het waterschap Regge en Dinkel drainage in het plangebied niet toestaat, terwijl dat wel is voorzien bij realisering van het sportpark.

2.6.1. Volgens de raad is het waterschap van mening dat drainage niet mag leiden tot permanente verlaging van de grondwaterstand en dat geen grondwater mag worden afgevoerd. Met deze voorwaarden zal bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden door het sportpark grondwaterneutraal te realiseren, aldus de raad.

2.6.2. [verzoeker sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat drainage in het plangebied zonder meer niet is toegestaan. Gelet op de toelichting van de raad acht de voorzitter aannemelijk dat bij de uitvoering van het plan kan worden voldaan aan eventuele eisen op het gebied van waterhuishouding.

2.7. [verzoeker sub 1] betwijfelt of het plan financieel-economisch uitvoerbaar is en wijst daarbij op de onzekerheid die hieromtrent in het verleden heeft bestaan.

2.7.1. Volgens de raad zal het sportpark worden gerealiseerd op gronden die inmiddels door de gemeente Enschede in eigendom zijn verworven. Verder is door de raad een uitvoeringskrediet beschikbaar gesteld voor de feitelijke realisatie van het sportpark, waarmee de financiële haalbaarheid van het plan volgens de raad voldoende is aangetoond.

2.7.2. Gelet op de toelichting van de raad geeft het aangevoerde voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid ervan heeft mogen uitgaan dat het plan financieel uitvoerbaar is.

2.8. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat renovatie van het bestaande sportpark "De Grobbe" de voorkeur verdient boven vestiging van een nieuw sportpark binnen het plangebied. [verzoeker sub 2] voert in dat verband aan dat de gemeentelijke middelen op die wijze doelmatiger kunnen worden besteed.

2.8.1. Met betrekking tot dit betoog overweegt de voorzitter dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.9. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken dienen te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2011

528.