Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201011471/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Intratuin Bredeweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011471/2/R1.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], gevestigd te Zevenhuizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Intratuin Bredeweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 februari 2011, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door M. van Harten, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door A. de Vries en A. Polak, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forsythia Zuidplas B.V., vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] exploiteert het tuincentrum "de Zilverberk" aan de Noordelijke Dwarsweg 90 te Zevenhuizen.

2.3. Het wijzigingsplan voorziet in de realisatie van een tuincentrum in de categorie IV. Dit type tuincentrum zal volgens artikel 1.4 van de planregels naast de verkoop vooral moeten voorzien in de behoefte van consumenten aan vermaak en beleving. Het gaat hier om een zeer grootschalige detailhandelsvestiging met een regionaal tot landelijk verzorgingsgebied met ruimte voor vestiging in thema/leisure voorzieningen voor huis, tuin en buitenleven, met verkoop van producten in combinatie met het gebruik van de producten als vermaak.

2.4. [verzoeker] betoogt onder meer dat niet is aangetoond dat de lokale infrastructuur de forse toename van het verkeer aan zal kunnen. Voorts stelt hij dat met het wijzigingsplan niet is voldaan aan de in het bestemmingsplan "Zuidplas Noord" opgenomen wijzigingsvoorwaarden. Daartoe voert hij aan dat niet aan de doeleindenomschrijving van artikel 50.14 wordt voldaan, nu op de gronden waar wijzigingsbevoegdheid 2 is voorzien geen kwaliteitszone met bebouwing wordt gerealiseerd. Voorts stelt hij dat het wijzigingsplan een groter gebied omvat dan waarop wijzigingsbevoegdheid 2 ziet en dat niet aan het in de voorwaarden gestelde vereiste van het realiseren 10% water ten opzichte van de bruto-oppervlakte van het totale wijzigingsplan is voldaan.

2.5. Door Forsythia is gesteld dat op onderhavig plan de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is, nu in Bijlage II bij deze wet het project "Zuidplaspolder" is opgenomen, dat volgens de omschrijving voorziet in integrale gebiedsontwikkeling voor de functies wonen, werken, glas, groen, water en recreatie. Volgens Forsythia kan aan de door [verzoeker] naar voren gebrachte gronden niet worden toegekomen, gelet op artikel 1.9 van de Chw.

2.6. De vraag of de gronden die [verzoeker] naar voren brengt gelet op artikel 1.9 van de Chw zouden kunnen leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan, leent zich niet voor beantwoording in de onderhavige procedure en zal in de bodemprocedure beantwoord moeten worden. Gelet hierop moet de vraag of in afwachting daarvan het bestreden besluit geschorst dient te worden, met name worden beantwoord aan de hand van een afweging van de betrokken belangen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.7. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter heeft het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze de afwikkeling van de verkeerstoename door de realisatie van het tuincentrum op aanvaardbare wijze kan plaatsvinden. Daarbij neemt hij in aanmerking dat weliswaar berekeningen zijn overgelegd van de verkeerstoename door realisatie van het wijzigingsplan, doch deze niet zijn gerelateerd aan het totale bestaande aantal verkeersbewegingen op de Bredeweg en de capaciteit van deze weg. Voorts is weliswaar door het college gesteld dat door verkeersmaatregelen zal worden bewerkstelligd dat het verkeer van en naar Moerkapelle zich meer kan verspreiden, zodat de Bredeweg ontlast wordt, doch niet is geconcretiseerd wat het te verwachten effect van deze maatregelen zal zijn, mede in relatie tot de verkeerstoename door realisatie van het wijzigingsplan. De stelling van het college dat de Bredeweg tussen Moerkapelle en het tuincentrum slechts in geringe mate extra verkeer te verwerken krijgt, omdat een groot deel van de toekomstige bezoekers uit het gebied ten noorden van het tuincentrum ook in de huidige situatie via de Bredeweg naar een vergelijkbare voorziening zal rijden, ontbeert vooralsnog een onderbouwing.

2.8. Ingevolge artikel 50.14 van het bestemmingsplan "Zuidplas- Noord" is het college bevoegd de bestemming binnen de gebiedsaanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 2" te wijzigen ten behoeve van een te realiseren kwaliteitszone met bebouwing, met inbegrip van een herindeling van de percelen, in de vorm van:

1. de vestiging van maatschappelijke voorzieningen en/of kleinschalige bedrijven met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten behoren tot milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in bijlage 3;

2. (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden alsmede watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen; met inachtneming van de volgende bepalingen:

(..)

g. in het wijzigingsplan wordt tenminste 10% aan water gerealiseerd (procenten steeds berekend ten opzichte van de bruto-oppervlakte van het totale wijzigingsplan met dien verstande dat het water op het bouwperceel aaneengesloten aangelegd dient te worden (d.w.z. niet doodlopend en geen afzonderlijke waterpartijen) en zoveel mogelijk aan de voorzijde (de naar de naar weg georiënteerde zijde) van het perceel gesitueerd te worden;

(..).

2.9. Naar het oordeel van de voorzitter is voorts niet op voorhand vast komen te staan dat is voldaan aan de in het bestemmingsplan "Zuidplas Noord" gegeven wijzigingsvoorwaarden. Daarbij acht de voorzitter van belang dat door het college ter zitting geen toereikende weerlegging kon worden gegeven van de stelling van [verzoeker] dat het wijzigingsplan een groter gebied omvat dan de gronden waarop in het bestemmingsplan "Zuidplas Noord" de gebiedsaanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 2" is voorzien. Voorts neemt hij in aanmerking dat het college ingevolge artikel 50.14 van het bestemmingsplan "Zuidplas Noord" bevoegd is de bestemming van de gronden binnen die gebiedsaanduiding te wijzigen ten behoeve van een te realiseren kwaliteitszone met bebouwing. Niet in geschil is dat het wijzigingsplan op de gronden waar deze aanduiding is voorzien, uitsluitend voorziet in de enkelbestemmingen "Verkeer - wegverkeer 3" en "Water" en niet in de vestiging van maatschappelijke voorzieningen en/of kleinschalige bedrijven als bedoeld in het eerste lid van artikel 50.14. De voorzitter acht niet op voorhand vaststaand dat het standpunt van het college, dat met het uitsluitend voorzien in de in het tweede lid van deze bepaling genoemde onderdelen is voldaan aan de doeleindenomschrijving van die bepaling, in de bodemprocedure zal kunnen worden gevolgd. Voorts is in de stukken, noch ter zitting aangetoond dat wordt voldaan aan het in artikel 50.14, onder g, opgenomen vereiste ten aanzien van het realiseren van 10% water ten opzichte van de bruto-oppervlakte van het totale wijzigingsplan.

2.10. Onder deze omstandigheden en bij afweging van de betrokken belangen, waarbij in aanmerking is genomen dat het gebruik van de gronden waarop wijzigingsbevoegdheid 2 ziet benodigd is voor de ontsluiting van het tuincentrum en bepalend kan zijn voor de te realiseren omvang daarvan, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.11. Het college dient ten aanzien van [verzoeker] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas van 12 oktober 2010 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Intratuin Bredeweg";

II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

444.