Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201002405/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Vlakwater 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002405/1/R3.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Venray,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Vlakwater 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 april 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ruimte voor Ruimte Limburg Beheer B.V., belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de realisering van 27 zogenoemde Ruimte voor Ruimte-woningen.

2.2. [appellant] voert aan dat hij door de realisering van het plan de huidige uitweg op de onverharde Van Roosmalenstraat zal verliezen. Hij betwist dat zijn gronden bereikbaar blijven doordat op de meest zuidoostelijke punt in de toekomst een uitweg gerealiseerd kan worden. Het is volgens hem onzeker of het gemeentebestuur hiervoor een uitwegvergunning zal verlenen en bovendien brengt de aanleg van een dergelijke uitweg voor hem kosten mee. De raad heeft volgens hem miskend dat ten gevolge van het plan de bestaande tweede toegang verdwijnt en hij in zoverre in zijn bestaande rechten wordt aangetast.

2.2.1. De raad stelt dat de gronden van [appellant] bereikbaar blijven via de zuidoostelijke punt die ligt aan de Van Roosmalenstraat en dat de realisatie van een tweede uitweg mogelijk blijft. De raad stelt dat hiervoor geen vergunning nodig is en dat het college de aanleg en het gebruik van deze uitweg slechts onder bepaalde voorwaarden kan verbieden.

2.2.2. Het perceel van [appellant] grenst thans over de hele lengte aan de Van Roosmalenstraat. In beginsel kan daarom op het gehele stuk een uitweg worden aangelegd. De mogelijkheden hiertoe worden in het plan beperkt. Het standpunt van de raad dat een tweede uitweg mogelijk blijft op de zuidoostelijke punt is echter niet onjuist. Volgens artikel 2.12 van de Algemeen Plaatselijke Verordening is voor de aanleg van een uitweg geen vergunning nodig, maar dient hiervan melding te worden gemaakt. De uitweg kan vervolgens worden aangelegd, indien het college binnen vier weken na ontvangst van de melding de aanleg van de uitweg niet verbiedt. Het college kan de aanleg slechts onder een beperkt aantal voorwaarden verbieden. Verder heeft de initiatiefnemer van het plan te kennen gegeven [appellant] tegemoet te willen komen in de kosten voor de aanleg van een uitweg. Voor zover ter zitting door [appellant] is gesteld dat via deze uitweg slechts een deel van zijn perceel kan worden ontsloten, is door de raad onweersproken gesteld dat aan de andere kant van het perceel een uitweg op de Merseloseweg mogelijk is.

Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan de huidige ontsluitingsmogelijkheden van het perceel van [appellant] onevenredig beperkt. Het betoog faalt.

2.3. [appellant] voert aan dat het door de realisering van het plan in verband met de gestelde ontsluitingsproblemen niet meer mogelijk is om in de toekomst op zijn gronden een nieuwe woning te bouwen. Het gemeentebestuur kent zijn concrete plannen in de vorm van een verzoek om een bouwkavel. In dit verband voert hij aan dat het gemeentebestuur wel een bouwkavel heeft verleend voor de bouw van een woning op perceel 4574.

2.3.1. De raad stelt dat [appellant] slechts een principeverzoek heeft ingediend voor een bouwkavel op zijn gronden en dat hieraan geen medewerking wordt verleend.

2.3.2. Wat er ook zij van de weigering van de raad, het verzoek van [appellant] heeft betrekking op een perceel buiten het plangebied, waarvan, gelet op overweging 2.2.2, duidelijk is dat het ontsloten kan worden. De bouwmogelijkheden op dat perceel kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] stelt dat door de bouw van de woningen zijn bestaande vrije en ruime uitzicht onaanvaardbaar wordt aangetast.

2.4.1. In het algemeen kunnen aan een geldend plan geen blijvende rechten worden ontleend en bestaat dus ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De gronden tegenover de percelen van [appellant] hebben de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 5.2.1, onder h, van de planregels, in samenhang met de verbeelding, bedraagt de maximaal toegestane bouwhoogte van de te realiseren woningen 10 meter en staan deze woningen op tenminste 20 meter afstand van de woning van [appellant]. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onevenredige aantasting van het uitzicht van [appellant] tot gevolg heeft. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] voert aan dat de exclusiviteit van het gebied achteruit gaat nu de woningen in het plangebied, ten opzichte van de al bestaande woningen, op een aanmerkelijk kleinere bouwkavel gerealiseerd zullen worden. De raad had in het plan volgens hem de al bestaande woningen op grotere kavels als uitgangspunt moeten nemen. Verder wordt zijn perceel als het ware ingesloten.

2.5.1. De raad stelt dat de kleinere kavels in het plangebied dezelfde ruimtelijke uitstraling hebben als de bestaande woningen op de grotere kavels. Dit komt volgens de raad doordat de kavels in het plangebied dezelfde breedte hebben als de kavels hieromheen en de bouwregels voor de te bouwen woningen in het plangebied aansluiten op de bouwregels in de omgeving. Het verschil met de woningen in de omgeving wordt volgens de raad alleen gevormd door een geringere diepte van de kavels in het plangebied. In verband daarmee heeft de raad besloten om een grotere openbare ruimte te creëren. Voorts stelt de raad dat het perceel van [appellant] niet geheel zal worden ingesloten, nu dit blijft grenzen aan bestaand agrarisch gebied.

2.5.2. Niet in geschil is dat de kavels in het plangebied wat betreft de hierop toegestane maximale bouwhoogte aansluiten op de omgeving en dat de woning van [appellant] aan de westzijde blijft grenzen aan agrarisch gebied. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisering van het plan niet ten koste gaat van de exclusiviteit van het gebied, daargelaten het gewicht dat hieraan kan worden toegekend.

2.6. [appellant] voert aan dat zijn eigendommen na de realisering van het plan in waarde zullen dalen. De raad had daarom volgens hem alternatieven voor het plan dienen te overwegen, waaruit een minder grote planschade zou voortvloeien.

2.6.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden en gebouwen van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Gelet hierop heeft de raad geen onderzoek hoeven doen naar alternatieven die een minder grote waardevermindering tot gevolg zouden hebben.

2.7. [appellant] twijfelt aan de financiële haalbaarheid van het plan met het oog op de te vergoeden planschade, nu de raad volgens hem heeft nagelaten om een planschadeanalyserapport op te stellen. Dat Ruimte voor Ruimte Limburg Beheer en het gemeentebestuur een exploitatieovereenkomst gesloten hebben is volgens [appellant] geen garantie voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan, omdat de financiële middelen van Ruimte voor Ruimte Limburg Beheer niet onbeperkt zullen zijn. In dit verband stelt hij dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de exploitatieovereenkomst, die een beding omtrent het planschadeverhaal zou bevatten.

2.7.1. De raad stelt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd, nu de gemeente met Ruimte voor Ruimte Limburg Beheer een exploitatieovereenkomst heeft gesloten waarin onder andere is overeengekomen dat de planschade op de ontwikkelaar zal worden afgewenteld.

2.7.2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ondanks het sluiten van de exploitatieovereenkomst tussen de raad en Ruimte voor Ruimte Limburg Beheer onzekerheid bestaat over het vergoeden van eventuele planschade. Bovendien heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat een zakelijke beschrijving van de exploitatieovereenkomst ter inzage heeft gelegen, en dat [appellant] geen verzoek heeft ingediend om de volledige exploitatieovereenkomst te mogen inzien. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende vaststaat.

2.8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

350-656.