Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201008091/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft de rechtsvoorganger van het college, het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd, afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om actualisatie van de bij besluit van 22 maart 1994 aan een rechtsvoorganger van [vergunninghouder] verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkensmesterij gelegen op het perceel [locatie 1] te Nijhuizum. Dit besluit is op 9 juli 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/5584
JOM 2011/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008091/1/M2.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft de rechtsvoorganger van het college, het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd, afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om actualisatie van de bij besluit van 22 maart 1994 aan een rechtsvoorganger van [vergunninghouder] verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkensmesterij gelegen op het perceel [locatie 1] te Nijhuizum. Dit besluit is op 9 juli 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.G.H. van der Kolk, advocaat te Stadskanaal, en het college, vertegenwoordigd door W. Foppen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het verzoek om wijziging van de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Op grond van de in 1994 verleende vergunning maakte de woning van [appellant] op [locatie 2] te Nijhuizum deel uit van de inrichting. [appellant] heeft deze woning, gelegen op ongeveer 15 meter afstand van de inrichting, als woonboerderij in gebruik genomen. De woning maakt feitelijk geen deel meer uit van de inrichting.

2.3. [appellant] voert aan dat zijn verzoek ten onrechte is afgewezen, omdat de inrichting ingrijpend is gewijzigd en de gewijzigde inrichting niet in werking is overeenkomstig de geluid-, stof-, en geurvoorschriften, verbonden aan de in 1994 verleende vergunning. Hij wijst er in dit kader onder meer op dat in 2002 een wijziging heeft plaatsgevonden van het ventilatiesysteem en dat een van de stallen in 2004 ingrijpend is gewijzigd door onder meer een wijziging van het mestafvoersysteem. Hij stelt verder dat het feit dat zijn woning niet langer als bedrijfswoning bij de inrichting kan worden aangemerkt, aanleiding is om de vergunning te wijzigen. Verder voert [appellant] aan dat in de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften ten onrechte is verwezen naar de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01 van maart 1981, welke Handleiding verouderd is. Voorts voert [appellant] in dit kader aan dat de inrichting niet in werking is overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij en dat de vergunninghouder ten onrechte geen plan op grond van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij heeft ingediend over verlaging van de ammoniakuitstoot.

2.3.1. Het college stelt dat tijdens een controle op 15 januari 2010 niet is gebleken van wijzigingen in de inrichting ten opzichte van de vergunde situatie. Het college voert aan dat het niet voldoen aan de voorschriften in een handhavingsprocedure dient te worden beoordeeld en geen reden is de vergunning of de daaraan verbonden voorschriften te wijzigen.

2.3.2. Voor zover [appellant] aanvoert dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, de vergunninghouder geen plan heeft ingediend op grond van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en de inrichting niet overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij in werking is, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en om die reden niet kunnen slagen. Zo nodig staat de mogelijkheid open om met betrekking tot het voorgaande het college om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen te verzoeken. Tegen het op het verzoek te nemen besluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.

2.3.3. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. Ingevolge het tweede lid kan een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen.

Ingevolge het derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

De toepassing van artikel 8.23, tweede lid, mag er niet toe leiden dat de grondslag van de aanvraag van de onderliggende vergunning wordt verlaten. Evenmin mag deze toepassing neerkomen op een intrekking van de vergunning, waartoe artikel 8.23 niet de bevoegdheid geeft.

2.3.4. Voor zover [appellant] betoogt dat de vergunningvoorschriften dienen te worden gewijzigd vanwege het feit dat zijn woning geen deel meer uitmaakt van de inrichting, overweegt de Afdeling als volgt. In 1994 is vergunning verleend voor zowel de varkensmesterij als de bedrijfswoning op [locatie 2]. Het wijzigen van de voorschriften uitsluitend gericht op een beperking van de omvang van de inrichting komt neer op een gedeeltelijke intrekking van de vergunning. Artikel 8.23 geeft geen bevoegdheid een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken zodat het college aan dit artikel terecht geen toepassing heeft gegeven.

2.3.5. Voor zover [appellant] aanvoert dat de vergunningvoorschriften, vanwege een ingrijpend gewijzigd stal- en ventilatiesysteem, hadden dienen te worden gewijzigd, is de Afdeling van oordeel dat inwilliging van dit verzoek er toe zou hebben geleid dat voorschriften aan de vergunning worden verbonden voor een ander stal- en ventilatiesysteem dan waarvoor de vergunning is aangevraagd. Dit betekent dat de grondslag van de aanvraag, waarop de bij besluit van 22 maart 1994 voor de inrichting verleende vergunning is gebaseerd, zou zijn verlaten. Dit is in strijd met het stelsel van de Wet milieubeheer. Reeds hierom heeft het college ook in zoverre terecht afgezien van het wijzigen van de voorschriften van de vergunning met toepassing van artikel 8.23.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

407-691.