Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201007826/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een stallingsruimte op het perceel [locatie] te Meterik (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007826/1/H1.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 juni 2010 in zaak

nr. 09/1278 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een stallingsruimte op het perceel [locatie] te Meterik (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dit de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de vrijstelling betreft, en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkooijen en G. van der Weijde, en het college, vertegenwoordigd door K.J.L. Thissen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het reeds gerealiseerde bouwplan betreft een stallingsruimte van twee bouwlagen voor privégebruik, met een oppervlakte van 108 m².

2.2. Op grond van het ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpsgebieden" rustte op het perceel de bestemming "Overwegend wonen". Het bouwplan is in strijd met dit bestemmingsplan. Teneinde realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat zij geen belang meer hebben bij een oordeel over de rechtmatigheid van de vrijstelling, heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het inmiddels onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Peelkernen". Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan voorziet in een tweede hoofdgebouw, terwijl op grond van dit bestemmingsplan slechts één hoofdgebouw per bouwperceel is toegestaan. Voorts heeft het beoogde gebruik van de stallingsruimte betrekking op andere doeleinden dan waarin dit bestemmingsplan ter plaatse voorziet, aldus [appellant] en anderen.

2.3.1. Bij besluit van 10 november 2009 heeft de raad van de gemeente Horst aan de Maas het bestemmingsplan "Peelkernen" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan is op 5 januari 2010 in werking getreden. Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen in de categorieën:

V vrijstaande woningen;

(…)

daar waar deze categorieën met een aanduiding zijn aangegeven, waarbij per bouwvlak niet meer dan het bestaande aantal woningen is toegestaan;

(…)

c. een autoherstelbedrijf, ter plaatse van de aanduiding (aht);

(…)

o. uitsluitend een stalling van motorvoertuigen, ter plaatse van de aanduiding (st);

(…)

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 1, voor zover thans van belang, wordt onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

2.3.2. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan een beheersplan betreft en geen ruimte behoort te bieden voor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden, wordt overwogen dat uitgegaan moet worden van de mogelijkheden die het onherroepelijk geworden bestemmingsplan biedt.

Anders dan [appellant] en anderen betogen, is voor de beantwoording van de vraag of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan niet relevant of het bouwplan voorziet in een tweede hoofdgebouw op het bouwperceel, noch daargelaten de vraag of het bestemmingsplan zich daartegen verzet. Op de plankaart is op het bouwperceel onder meer een bouwvlak ingetekend met de aanduiding "(st)". Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften is dit bouwvlak bestemd voor een motorvoertuigenstalling. Nu de in het bouwplan voorziene stallingsruimte voldoet aan de op de plankaart bij dit bouwvlak aangegeven maximale goot- en bouwhoogte, past het binnen het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de stallingsruimte thans zonder vrijstelling kan worden gerealiseerd, zodat het belang van [appellant] en anderen bij een oordeel over de rechtmatigheid van de verleende vrijstelling is komen te vervallen.

2.3.3. Anders dan [appellant] en anderen betogen, heeft de rechtbank voorts met juistheid overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het beoogde gebruik van de stallingsruimte uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming "Wonen" ter plaatse voorziet. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de stallingsruimte, in afwijking van de aanvraag om bouwvergunning, met het oog op een gebruik als bedrijfsruimte is opgericht. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat sinds de oprichting van de stallingsruimte, inmiddels zeven jaar geleden, nimmer is gebleken van een bedrijfsmatig gebruik daarvan. Voorts is tijdens controles door het college nimmer de naar de mening van [appellant] en anderen in de stallingsruimte ingebouwde hefbruginstallatie aangetroffen. Indien en voor zover in de toekomst toch mocht blijken dat de stallingsruimte wordt gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming "Wonen" ter plaatse voorziet, betreft dit een kwestie van handhaving.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het beroep van [appellant] en anderen, voor zover het de vrijstelling betreft, terecht niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover het de bouwvergunning betreft, terecht ongegrond verklaard.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

531.