Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP7099

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
201004780/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Achthuizen, locatie Bommelsedijk 1-3 te Den Bommel" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004780/1/R1.

Datum uitspraak: 9 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Achthuizen, locatie Bommelsedijk 1-3 te Den Bommel" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Het college heeft desgevraagd bij brief van 4 januari 2011 op de voet van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) inlichtingen verschaft.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2011, waar [4 appellanten], bijgestaan door mr. P. van Veen, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.J. Bakelaar en F. ten Brinke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door G.J. Weemaes, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het wijzigingsplan voorziet in wijziging van de bestemmingen "Wonen" en "Dijken van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarde" van gronden aan de Bommelsedijk te Den Bommel in de bestemmingen "Eengezinshuizen", "Erven" en "Tuinen" op grond van artikel 26, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Achthuizen-Langstraat-Zuidzijde".

2.2. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met het wijzigingsplan. Zij voeren ten eerste aan dat de verschijningsvorm van de vier te bouwen woningen in het voorgenomen bouwplan niet in de landelijke omgeving past.

2.2.1. In een bestemmingsplan worden in beginsel geen welstandseisen opgenomen. Het toetsen van (voorziene) gebouwen of bouwwerken aan de welstandseisen is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot de aan te vragen omgevingsvergunning. Het bezwaar van [appellant] en anderen met betrekking tot welstand kan derhalve niet in deze procedure, maar in de procedure met betrekking tot de aan te vragen omgevingsvergunning aan de orde komen.

2.3. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat de Verkeerscommissie van de gemeente Oostflakkee ten onrechte een positief advies heeft uitgebracht ten aanzien van de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse. Op de smalle dijk waaraan de woningen zullen worden gebouwd, kan aan de kant van de te bouwen woningen niet worden geparkeerd, zodat per te bouwen woning parkeerruimte moet worden gerealiseerd. Het is echter, anders dan het gemeentebestuur volgens [appellant] en anderen stelt, niet mogelijk de woningen verder naar achteren te situeren om zodoende op een veilige manier vanuit de garage de dijk op te kunnen rijden, aangezien de achtergevels van de woningen dan in de sloot zullen komen te staan. Voorts kan volgens [appellant] en anderen tijdens perioden van gladheid geen gebruik worden gemaakt van de opritten. De Verkeerscommissie heeft ten onrechte een positief advies afgegeven aan het college, omdat zij slechts over schetsen van de te bouwen woningen beschikte en niet over goede tekeningen met de juiste afmetingen, aldus [appellant] en anderen.

2.3.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Achthuizen-Langstraat-Zuidzijde", voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van de gronden, nader aangegeven met een naar deze bepaling verwijzende aanduiding, te wijzigen in de bestemmingen "Eengezinshuizen", "Erven" en "Tuinen", als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 van de voorschriften.

Ingevolge artikel 3 van de regels van het wijzigingsplan blijven de voorschriften van het bestemmingsplan "Achthuizen-Langstraat-Zuidzijde" zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Oostflakkee op 19 mei 1994 van toepassing.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Achthuizen-Langstraat-Zuidzijde" zijn de op de kaart voor "Eengezinshuizen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, zijn de op de kaart voor "Erven" aangewezen gronden bestemd voor tuinen, toegangspaden en uitritten.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, zijn de op de kaart voor "Tuinen" aangewezen gronden bestemd voor tuinen, aanbouwen, toegangspaden en uitritten.

2.3.2. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de achtergevels van de te bouwen woningen in de zich achter de percelen bevindende sloot komen te staan, wordt overwogen dat ter zitting is komen vast te staan dat bouwen tot in de sloot op grond van het wijzigingsplan niet mogelijk is, aangezien de desbetreffende sloot buiten het plangebied is gelegen. Ter zitting is in dit verband voorts van de zijde van het college opgemerkt dat de aan te vragen omgevingsvergunning zal worden geweigerd, indien die aanvraag ziet op de bouw van woningen tot in de sloot.

Ten aanzien van de parkeersituatie is in de toelichting behorende bij het wijzigingsplan opgenomen dat per te bouwen woning een overdekte parkeerplaats onder het terras en een parkeerplaats naast de woning zal worden gerealiseerd, hetgeen in overeenstemming is met de parkeercijfers zoals opgenomen in de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2004 van de stichting CROW. De Verkeerscommissie heeft bij advies van 8 december 2009 geadviseerd omtrent een door [belanghebbende] overgelegde situatietekening van de te bouwen woningen, met daarop aangegeven de zichtlijnen met betrekking tot het afrijden van de in-/opritten van die woningen aan de Bommelsedijk. De Verkeerscommissie heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met de op die tekening aangegeven in-/opritten, onder het voorbehoud dat op het gedeelte van de Bommelsedijk waar de woningen zijn geprojecteerd, een (verkeers)besluit zal moeten worden genomen aangaande de instelling van een verbod om stil te staan, omdat de dijk ter plaatse te smal is om aldaar geparkeerde voertuigen toe te laten.

[appellant] en anderen kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat de Verkeerscommissie voor de totstandkoming van haar advies uitsluitend de beschikking heeft gehad over schetsen reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, uit haar advies kan worden afgeleid dat de commissie de beschikking had over de situatietekening afkomstig van de architect van de te bouwen woningen. Uit voormelde situatietekening kan worden afgeleid dat wanneer een auto zich bevindt aan de bovenzijde van de in-/oprit ter hoogte van de Bommelsedijk, voldoende zicht bestaat op de Bommelsedijk. Het uitzicht is volgens deze situatietekening bovendien voldoende om veilig van de in-/oprit af te kunnen draaien. [appellant] en anderen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat het bij gladheid niet mogelijk is om gebruik te maken van de in-/oprit om er te parkeren dan wel om vanuit de garage via de in-/oprit de dijk op te rijden.

De verkeers- en parkeersituatie ter plaatse is, het voorgaande in aanmerking genomen, in voldoende mate onderzocht. Het college heeft zich, het advies van de Verkeerscommissie mede in aanmerking genomen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid en dat geen sprake is van een verkeersonveilige situatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft benadrukt dat het zich eraan heeft gecommitteerd dat ter hoogte van de te bouwen woningen op de dijk een parkeerverbod zal worden ingesteld.

Het betoog faalt.

2.4. Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat in het wijzigingsplan ten onrechte niets is vermeld ten aanzien van de betaling van de kosten van de aansluiting van de te bouwen woningen op het riool, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

2.5. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat niet duidelijk is wie de verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen voor de primaire waterkering.

2.5.1. Het college heeft in dit verband in het verweerschrift terecht verwezen naar de toelichting behorende bij het wijzigingsplan, waarin is vermeld dat, aangezien het plangebied is gesitueerd op een primaire waterkering, voor de werkzaamheden die gepaard gaan met de realisatie van de vier woningen, ontheffing dient te worden aangevraagd bij het Waterschap Hollandse Delta te Dordrecht. Het college heeft voorts vermeld dat uit aan een hem gerichte brief van 13 november 2009 van het college van dijkgraaf en heemraden blijkt dat eerder een tijdelijke ontheffing in de vorm van een keurvergunning is verleend. Ter zitting is van de zijde van het college meegedeeld dat om die reden te verwachten is dat opnieuw een keurvergunning zal worden verleend. Uit de desbetreffende brief volgt volgens het college dat sprake is van een publiekrechtelijke rechtsbetrekking tussen de initiatiefnemer en het college van dijkgraaf en heemraden omtrent de staat waarin de betreffende waterkering, de Bommelsedijk, komt te verkeren.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijkheden bestaan omtrent de verantwoordelijkheid voor de primaire waterkering.

Het betoog faalt.

2.6. Voorts betogen [appellant] en anderen dat geen duidelijkheid bestaat ten aanzien van het lozen van hemelwater. In de toelichting behorende bij het wijzigingsplan is in dit kader als optie vermeld dat de sloot moet worden verbreed, maar er is geen enkel bewijs dat de eigenaar van de grond toestemming zal geven voor verbreding, aldus [appellant] en anderen.

2.6.1. In de toelichting behorende bij het wijzigingsplan is vermeld dat een zekere compensatie van water moet plaatsvinden binnen het peilgebied waarin de woningen zijn geprojecteerd. Een sloot verbreden of verlengen is dan de eerste optie, aldus de toelichting. Het college heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat, anders dan [appellant] en anderen betogen, in het wijzigingsplan niet is vermeld dat de sloot moet worden verbreed. Een dergelijke compensatie van water binnen het peilgebied waarin de woningen zijn geprojecteerd is als eerste, maar niet als enige optie aangegeven. Niet aannemelijk is dat andere opties niet uitvoerbaar zijn.

Het betoog faalt.

2.7. Ten slotte betogen [appellant] en anderen dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat zich ter plaatse van de geprojecteerde woningen in het plangebied een aardgasleiding bevindt, waarop niet mag worden gebouwd.

2.7.1. Van de zijde van het college is ter zitting desgevraagd meegedeeld dat bij de vaststelling van het wijzigingsplan, in het kader van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening, niet is onderzocht of de aardgasleiding in de weg staat aan het bouwen van de geprojecteerde woningen, aangezien het onherroepelijke bestemmingsplan "Achthuizen-Langstraat-Zuidzijde" het bouwen op een aardgasleiding toestaat en geen voorschriften bevat die bepalen dat een aardgasleiding te allen tijde bereikbaar moet zijn.

2.7.2. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

In dit verband is van belang hetgeen is opgenomen in de Circulaire Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 november 1984, zoals die gold ten tijde van de vaststelling van het besluit. In de desbetreffende circulaire is aangegeven op welke wijze een verantwoorde zonering kan worden toegepast bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande aardgastransportleidingen en zijn de minimaal aan te houden afstanden tussen bebouwing en een aardgasleiding opgenomen. Het college heeft bij de vaststelling van het plan ten onrechte niet onderzocht wat de concrete bouwmogelijkheden zijn indien de afstanden uit voormelde circulaire in acht worden genomen, zodat niet kan worden beoordeeld of ter plaatse zonder risico's een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling gelet hierop aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee van 30 maart 2010,

kenmerk 2010-1674;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevendertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011

490.