Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201007014/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2009 heeft de minister het verzoek van Van den Berg om ontheffing van het verbod op werktijdverkorting afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007014/1/H3.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid W.A. van den Berg's Aannemersbedrijf B.V. (hierna: Van den Berg), gevestigd te Hellendoorn,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 juni 2010 in zaak nr. 09/871 in het geding tussen:

Van den Berg

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2009 heeft de minister het verzoek van Van den Berg om ontheffing van het verbod op werktijdverkorting afgewezen.

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de minister het door Van den Berg daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Van den Berg daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Van den Berg bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar Van den Berg, vertegenwoordigd door haar directeur H. Wolterink, bijgestaan door mr. L.A.M. van der Geld, advocaat te Wierden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Crommelin, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Volgens artikel 1, derde lid, van de Verlengde bijzondere beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2008 (hierna: Verlengde bijzondere beleidsregels) zijn deze van toepassing op een verzoek om ontheffing van het verbod, bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, gedaan door een werkgever vóór de datum waarop deze bijzondere beleidsregels vervallen.

Artikel 6, eerste lid, van de Verlengde bijzondere beleidsregels bepaalt dat deze bijzondere beleidsregels, voor zover van belang, vervallen met ingang van 21 maart 2009 of zoveel eerder als vervangende maatregelen tot stand zijn gekomen en in werking zijn getreden. De Verlengde bijzondere beleidsregels zijn vervallen met ingang van 21 maart 2009.

2.2. Van den Berg stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag voor werktijdverkorting van Van den Berg niet tijdig door de minister is ontvangen en derhalve te laat is ingediend. Mocht er al sprake zijn van een termijnoverschrijding, dan stelt Van den Berg zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de overschrijding van deze termijn niet verschoonbaar zou zijn.

2.2.1. Van den Berg stelt dat uit de overgelegde verklaringen van Kolkman Business Administration en Falk Courier B.V. (hierna: Falk) duidelijk blijkt dat de aanvraag om werktijdverkorting van Van den Berg op vrijdag 20 maart 2009 door de minister is ontvangen. Volgens Van den Berg is een specifiek onderdeel van de verklaring van Falk van belang. In dit onderdeel verklaart de heer Levy van Falk namelijk dat Falk de post bestemd voor het ministerie in de vroege ochtend van vrijdag 20 maart 2009 heeft bezorgd. De volgende bezorging bij dit ministerie heeft pas weer op 25 maart 2009 plaatsgevonden. Volgens Van den Berg is het daarom niet mogelijk dat in de tussenliggende periode post door Falk is bezorgd op het ministerie. Dit brengt met zich dat de aanvraag om werktijdverkorting op 20 maart 2009 en derhalve tijdig door de minister is ontvangen. De rechtbank heeft volgens Van den Berg ten onrechte geen aandacht besteed aan dit onderdeel van de verklaring. Bovendien is de aanvraag niet op de laatste dag van de termijn verzonden, maar de dag daarvoor. Voorts heeft Van den Berg ernstige twijfels bij de interne controles van de ontvangen aanvragen bij het ministerie en heeft hij het vermoeden dat de aanvraag tot maandag 23 maart 2009 in de postkamer is blijven liggen. Van den Berg stelt dat deze vertraging van de postregistratie niet voor haar rekening mag en moet komen.

2.2.2. De Afdeling stelt vast dat de envelop, waarin zich de aanvraag bevond, volgens het door het ministerie hierop geplaatste stempel, is ontvangen op 23 maart 2009. De minister heeft zonder voorbehoud verklaard dat de inkomende post op de dag van ontvangst wordt voorzien van een ontvangststempel. Met de rechtbank ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring van de minister. Hetgeen Van den Berg aanvoert, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel, nu uit de verklaring van de heer Levy van Falk niet blijkt dat de envelop waarin zich de aanvraag van Van den Berg bevond - die overigens was geadresseerd aan een postbusadres - uiterlijk op 20 maart 2009 bij het ministerie is aangeboden. Voorts overweegt de Afdeling dat als datum waarop het verzoek om ontheffing van het verbod op werktijdverkorting is gedaan, moet gelden de datum waarop de aanvraag is ontvangen door het ministerie. Nu de aanvraag na 20 maart 2009 door het ministerie is ontvangen en daarmee niet is gedaan vóór de volgens artikel 1, derde lid, van de Verlengde bijzondere beleidsregels geldende datum, is deze niet tijdig ingediend. Het betoog faalt.

2.3. Voorts voert Van den Berg aan dat omstandigheden ertoe hebben geleid dat de aanvraag pas kort voor het verstrijken van de beleidsregels is ingediend en dat de minister hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden.

2.3.1. Tot en met 20 maart 2009 heeft Van den Berg de gelegenheid gehad om de aanvraag voor werktijdverkorting in te dienen. Zij heeft de keuze gemaakt om te wachten met het indienen van de aanvraag tot vlak voor het vervallen van de beleidsregels. Het niet tijdig indienen van de aanvraag komt hiermee voor rekening en risico voor Van den Berg.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

312-697.