Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6378

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201000750/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2009, kenmerk 2008-020262, heeft het college aan Van Wijnen Projectontwikkeling Noord BV (hierna: Van Wijnen Projectontwikkeling) vergunning ingevolge artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het woningbouwproject Hezenberg Park aan de Konijnenbergerweg en de Hezenbergerweg te Hattem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000750/1/R2.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem, gevestigd te Hattem,

2. [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2009, kenmerk 2008-020262, heeft het college aan Van Wijnen Projectontwikkeling Noord BV (hierna: Van Wijnen Projectontwikkeling) vergunning ingevolge artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het woningbouwproject Hezenberg Park aan de Konijnenbergerweg en de Hezenbergerweg te Hattem.

Bij besluit van 1 december 2009, kenmerk 2008-020262, verzonden op 3 december 2009, heeft het college de door de vereniging en [appellanten sub 2] en anderen hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2010, en [appellanten sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De vereniging en [appellanten sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Van Wijnen Projectontwikkeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door drs. J. Hoeksema, en [appellanten sub 2] en anderen, in de persoon van [appellante sub 2 B], en het college, vertegenwoordigd door P.A. Kuijper en ing. A. Hoekstra, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is Van Wijnen Projectontwikkeling, vertegenwoordigd door T. Boers, werkzaam bij Van Wijnen Projectontwikkeling, en bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

Procedurele aspecten

2.1. Het college betwist de ontvankelijkheid van de beroepen van de vereniging en van [appellanten sub 2] en anderen nu deze niet tijdig zijn ingesteld.

2.1.1. Het besluit op bezwaar van 1 december 2009 is verzonden op 3 december 2009, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift, ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is aangevangen op 4 december 2009 en ingevolge artikel 6:7 van de Awb is geƫindigd op 14 januari 2010. De beroepen, beide ingekomen op 20 januari 2010, zijn derhalve niet tijdig ingesteld.

2.1.2. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.1.3. Vaststaat dat op 10 december 2009 een zogenoemde rectificatie van het besluit op bezwaar van 1 december 2009 aan partijen is verzonden, waarin is vermeld dat, in tegenstelling tot hetgeen in het besluit op bezwaar van 1 december 2009 was vermeld, tegen het besluit op bezwaar beroep openstaat. In de rectificatie is uitdrukkelijk vermeld dat de brief een verbeterd exemplaar betrof van het besluit van 1 december 2009 en is zonder voorbehoud een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Gelet hierop is op zijn minst verwarring ontstaan bij de vereniging en [appellanten sub 2] en anderen en kan de omstandigheid dat de beroepschriften eerst op 20 januari 2010 zijn ingediend derhalve niet aan hen worden tegengeworpen. De termijnoverschrijding wordt dan ook verschoonbaar geacht.

2.2. Het betoog van de vereniging dat zij ten onrechte niet is gehoord over de ambtshalve wijziging van de vergunning ten aanzien van het voorschrift met betrekking tot lichtuitstraling, faalt. Uit de Awb noch uit de Nbw 1998 volgt voor het college de verplichting om de vereniging apart van de hoorzitting in het kader van artikel 7:2 van de Awb te horen over de ambtshalve wijziging van het besluit.

Inhoudelijk

2.3. Het college heeft krachtens de Nbw 1998 een vergunning verleend voor het woningbouwproject Hezenberg Park, dat op een afstand van 100 meter ligt van het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel" en op een afstand van ongeveer 900 meter van het Natura 2000-gebied "Veluwe". De woningbouw bestaat uit de bouw van 6 appartementengebouwen met in totaal 30 appartementen.

2.4. Bij besluit van 24 maart 2000 is het gebied IJssel aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103; hierna: Vogelrichtlijn).

Het gebied IJsseluiterwaarden is aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: Habitatrichtlijn). Bij beschikking van 7 december 2004 is dit gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied IJsseluiterwaarden is nog niet aangewezen als Habitatrichtlijngebied in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998.

Daarnaast was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor het gebied "Uiterwaarden IJssel" het ontwerpbesluit tot aanwijzing als Natura 2000-gebied in procedure gebracht. Uit de toelichting bij dit besluit volgt dat het gebied landschappelijk wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van open water, moerassen en in de uiterwaarden gelegen graslanden.

Bij besluit van 24 maart 2000 is het gebied "Veluwe" aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn.

De Veluwe is verder aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in de Habitatrichtlijn. Bij beschikking van 7 december 2004 is dit gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Het gebied Veluwe is nog niet aangewezen als Habitatrichtlijngebied in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998.

Daarnaast was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor het gebied "Veluwe" het ontwerpbesluit tot aanwijzing als Natura 2000-gebied in procedure gebracht.

2.5. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold de Nbw 1998, zoals die na wijziging van kracht is geworden met ingang van 1 februari 2009.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover het college een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het college een besluit neemt, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.6. De vereniging en [appellanten sub 2] en anderen betogen dat de beoordeling van het college van de gevolgen van de woningbouw voor de Natura 2000-gebieden "Uiterwaarden IJssel" en "Veluwe", onvolledig en onjuist is. De vereniging wijst erop dat ten onrechte de gevolgen voor de algemene instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Veluwe" niet in de beoordeling zijn betrokken. Daarnaast zijn de gevolgen voor het Habitatrichtlijngebied IJsseluiterwaarden onvoldoende beoordeeld en meegewogen, met name wat betreft de gevolgen voor de kamsalamander. Ook zijn de gevolgen voor de ijsvogel onvoldoende beoordeeld en meegewogen, aldus de vereniging. [appellanten sub 2] en anderen stellen dat onvoldoende rekening is gehouden met de onderlinge samenhang tussen de Natura 2000-gebieden "Uiterwaarden IJssel" en "Veluwe". De vereniging en [appellanten sub 2] en anderen verwijzen in dit verband naar het onderzoeksrapport van Zoon Buro voor Ecologie (hierna: Buro Zoon) "Toets Bestemmingsplan Hezenbergpark (Hattem) aan het natuurbeleid" van 14 augustus 2009.

2.7. De gevolgen van de woningbouw op de Natura 2000-gebieden zijn onderzocht in de rapporten van Ecogroen: "Quickscan natuurtoets herinrichtingproject Hezenbergerweg te Hattem" van 6 juli 2007 en "Aanvulling en actualisatie EHS en NB-wet herinrichtingproject Hezenbergerweg te Hattem" van 26 augustus 2008 (hierna: de rapporten van Ecogroen). Hierin wordt ten aanzien van het Natura 2000-gebied "Veluwe" geconcludeerd dat zich geen kwalificerende soorten bevinden op de woningbouwlocatie en dat er evenmin voortplantings-, foerageer-, overwintering- of rustplaatsen te verwachten zijn. Gezien de aard van de plannen en de ligging, zijn daarnaast geen externe effecten te verwachten op de kwalificerende soorten, waaronder de kamsalamander, en habitats van het Natura 2000-gebied "Veluwe". Ten aanzien van het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel" wordt geconcludeerd dat, ondanks de geringe afstand tussen de locatie van de woningbouw en het Natura 2000-gebied, de locatie zelf geen relevante waarde voor de kwalificerende soorten, waaronder de ijsvogel, heeft. Uitstralende effecten van bijvoorbeeld licht op het Natura 2000-gebied worden niet verwacht. Ook worden geen meetbare negatieve effecten verwacht op de relevante vogelsoorten als gevolg van recreatieve uitloop. Van een significante invloed is volgens de rapporten dan ook zeker geen sprake.

2.7.1. In hetgeen de vereniging en [appellanten sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rapporten van Ecogroen onvolledig zijn of anderszins gebreken vertonen. Anders dan de vereniging en [appellanten sub 2] en anderen stellen zijn de door hen genoemde aspecten meegenomen in de rapporten van Ecogroen. Voorts betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat het rapport van Buro Zoon geen op de Nbw 1998 toegespitste beoordeling bevat. Tevens is van belang dat, hoewel het gebied onderdeel is van de Hattemer Poort, niet aannemelijk is dat de woningbouw significante effecten heeft op het Natura 2000-gebied "Veluwe". Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de rapporten van Ecogroen volgt dat zich geen relevante natuurwaarden voordoen op de locatie en dat geen uitstralende effecten, waaronder licht, zijn te verwachten op het Natura 2000-gebied "Veluwe" vanwege de omvang van de woningbouw in relatie bezien tot de afstand van de locatie tot het Natura 2000-gebied "Veluwe". Voor zover de vereniging en [appellanten sub 2] en anderen stellen dat het plangebied belangrijk is voor migrerend wild overweegt de Afdeling dat het college ter zitting heeft toegelicht dat voor migrerend wild geen instandhoudingsdoelstellingen gelden. De enkele stelling van de vereniging en [appellanten sub 2] en anderen dat een toename van verkeersbewegingen en menselijke activiteiten, wat daar ook van zij, zal leiden tot een significante aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel", acht de Afdeling voorts onvoldoende voor het oordeel dat het college zich niet op de rapporten van Ecogroen heeft mogen baseren. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woningbouw niet leidt tot een significante aantasting van de Natura 2000-gebieden "Veluwe" en "Uiterwaarden IJssel". Het betoog faalt.

2.8. De vereniging en [appellanten sub 2] en anderen betogen voorts dat het aan de vergunning verbonden voorschrift dat uitstralende verlichting voorkomen moet worden, ten onrechte na ambtshalve wijziging van het primaire besluit niet langer aan de vergunning is verbonden. Zij achten dit in strijd met de rapporten van Ecogroen. De vereniging stelt dat verlichting van de woningen en de straatlantaarns tot een verslechtering van de uitwisselingsmogelijkheden van wild tussen de Natura 2000-gebieden "Veluwe" en de "Uiterwaarden IJssel" leidt.

2.8.1. Gelet op de conclusies uit de rapporten van Ecogroen heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hier genoemde vergunningvoorschrift niet noodzakelijk is ter voorkoming van een significante aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden "Veluwe" en "Uiterwaarden IJssel". Dat het college deze wijziging ambtshalve heeft vastgesteld na het indienen van bezwaar, maakt niet dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen, nu een ambtshalve wijziging past in het karakter van de bestuurlijke heroverweging die plaatsvindt in het kader van de beslissing op bezwaar. Het betoog faalt.

2.9. In hetgeen de vereniging en [appellanten sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

12-647.