Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201004354/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bruchem, Steenweg 4" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4814
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004354/1/R2.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Behoud Dorpsgezicht Bruchem-Dorp, gevestigd te Bruchem, gemeente Zaltbommel,

appellante,

en

de raad van de gemeente Zaltbommel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bruchem, Steenweg 4" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door F. Kruijshaar en W.C. Wismeijer, en de raad, vertegenwoordigd door P.L.F. Bassa, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman en [gemachtigde], als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd de verplaatsing van een paardenfokkerij en landbouwmechanisatiebedrijf (hierna: LMB) van Molenstraat 5 naar Steenweg 4 te Bruchem mogelijk te maken.

2.2. Ter zitting heeft de stichting de beroepsgrond dat de raad ten onrechte de planregels ten opzichte van het ontwerp gewijzigd heeft vastgesteld, ingetrokken.

2.3. De stichting kan zich niet verenigen met het plan. Zij voert hiertoe aan dat het plan in strijd is met het streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan). De stichting betoogt dat volgens het streekplan de hoofdfunctie in het buitengebied agrarisch moet zijn. De paardenfokkerij is in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht echter ondergeschikt aan het LMB, dat een niet-agrarisch bedrijf is, aldus de stichting.

Tevens voert de stichting aan dat ten onrechte geen beeldkwaliteitsplan is opgesteld, terwijl het gebied in het streekplan is aangewezen als waardevol landschap. De grootschalige bebouwing die het plan mogelijk maakt, past niet in de omgeving en tast het karakteristieke groen aan, aldus de stichting.

Voorts is het plan volgens de stichting in strijd met het streekplan, omdat het LMB en de paardenfokkerij een verkeersaantrekkende werking zullen hebben en zullen leiden tot verkeersonveilige situaties. Tevens betoogt de stichting dat het verkeersonderzoek ten onrechte niet is geactualiseerd. Zij wijst er in dit kader op dat in het verkeersonderzoek geen rekening is gehouden met de afsluiting van de op- en afritten van de A2 en derhalve het gebruik van de Steenweg als sluiproute niet in het onderzoek is betrokken. Bovendien verricht het LMB in strijd met het streekplan activiteiten die moeten worden aangemerkt als detailhandel, aldus de stichting.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat deels sprake is van een agrarische activiteit en deels van een functioneel aan het buitengebied gebonden niet-agrarische activiteit, zodat een locatie in het buitengebied het meest voor de hand ligt.

Voorts betoogt de raad dat het effect van het bedrijf op de omgeving beperkt is, nu nabij het perceel reeds twee pluimveehouderijen en een champignonkwekerij zijn gevestigd en het perceel voorts nabij de A2 is gelegen. Bovendien zijn in dit plan de voorheen bestaande bebouwingsmogelijkheden beperkt en is het bouwvlak verschoven. De raad acht het opstellen van een beeldkwaliteitsplan dan ook niet noodzakelijk.

Voorts stelt de raad dat uit de uitgevoerde Quickscan verkeer is gebleken dat het plan slechts een beperkt aantal extra verkeersbewegingen genereert ten opzichte van de huidige situatie.

2.3.2. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200902832/1, is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) het streekplan, behoudens indien sprake is van een concrete beleidsbeslissing, niet rechtstreeks bindend meer voor het gemeentebestuur bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. De Afdeling stelt vast dat het streekplan, voor zover hier van belang, geen concrete beleidsbeslissingen bevat. De raad is derhalve niet zonder meer gehouden het beleid van de provincie te volgen. Wel dient de raad het provinciale beleid op dit punt in de afweging mee te wegen als een bij het plan betrokken belang.

2.3.3. Ten aanzien van het betoog van de stichting dat gezien de ligging in het buitengebied het LMB niet de hoofdfunctie mag vormen overweegt de Afdeling dat de raad de paardenfokkerij en het LMB als een zogenoemd combinatiebedrijf heeft aangemerkt. De paardenfokkerij kan blijkens het advies van de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen van 8 april 2010 worden beschouwd als een reëel agrarisch bedrijf, dat naar verwachting verder zal doorgroeien van een reële naar een volwaardige paardenfokkerij.

Ter zitting is nader toegelicht dat de bedrijfsvoering van het LMB en de paardenfokkerij is gecombineerd. De raad heeft dan ook splitsing van het bedrijf en vestiging van het LMB op een bedrijventerrein niet wenselijk kunnen achten. De raad heeft daarbij betekenis kunnen hechten aan de omstandigheid dat een LMB een aan het buitengebied gebonden bedrijf betreft.

2.3.4. Ten aanzien van het betoog van de stichting dat ten onrechte geen beeldkwaliteitsplan is opgesteld en dat het plan niet past in de omgeving overweegt de Afdeling dat het plangebied in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1991" de bestemming "Agrarisch kernrandgebied" had.

Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de voorschriften van dat plan, voor zover hier van belang, zijn op het agrarische bouwperceel uitsluitend bedrijfsgebouwen met een maximale hoogte van 12 meter toegestaan.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van dat plan, kan vrijstelling van de voorschriften worden verleend ten behoeve van het overschrijden van de op de plankaart en in de voorschriften aangegeven maten, minimale en maximale afmetingen van bebouwing en terreinen met maximaal 10%.

In het bestemmingsplan "Buitengebied 1991" is geen maximaal bebouwingspercentage opgenomen voor de gronden met de bestemming "Agrarisch kernrandgebied".

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de planregels van het onderhavige plan mag het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak niet meer dan 45 bedragen en mag de goothoogte niet meer dan 6 meter en de bouwhoogte niet meer dan 10 meter bedragen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.

Blijkens de verbeelding is het bouwvlak in het onderhavige plan verschoven in die zin dat het bouwvlak ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 1991" ongeveer 10 meter verder van de Steenweg ligt.

Gelet op het vorenstaande zijn de bebouwingsmogelijkheden in dit plan beperkt ten opzichte van die in het bestemmingsplan "Buitengebied 1991".

Gelet op de beperking van de bebouwingsmogelijkheden en de verschuiving van het bouwvlak heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het opstellen van een beeldkwaliteitsplan en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ernstige aantasting van het zicht op Bruchem. Overigens is in de plantoelichting vermeld dat op het perceel aan de zijde van de Viaductweg een groene verdichting zal worden aangelegd.

2.3.5. Arcadis Nederland B.V. heeft onderzoek verricht naar de verkeerseffecten op de Steenweg en de Viaductweg als gevolg van het plan. De uitkomsten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Quick-scan verkeer Steenweg 4" van 12 januari 2010. In het rapport is vermeld dat de herontwikkeling van het plangebied slechts een beperkt aantal extra verkeersbewegingen zal genereren ten opzichte van de huidige situatie. De herontwikkeling zal volgens het rapport geen waarneembaar effect hebben op de verkeersintensiteiten op de Steenweg en de Viaductweg.

Niet is gebleken dat het onderzoek gebreken, dan wel een leemte in kennis vertoont. De stelling van de raad dat het gebruik van de Steenweg als sluiproute niet voor de hand ligt, komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. De raad heeft genoemd onderzoek derhalve aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat van het plan een aanzienlijk verkeersaantrekkende werking zal uitgaan, dan wel zal leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de inrit van het bedrijf aan de Steenweg 4 wordt verplaatst naar de Viaductweg waarmee onveilige verkeerssituaties vanwege het hoogteverschil tussen het perceel en de Steenweg 4 worden voorkomen. Voorts merkt de Afdeling op dat de raad blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voornemens is de maximum snelheid te verlagen naar 60 km/u.

2.3.6. Ten aanzien van het betoog dat het LMB in strijd met het streekplan activiteiten verricht die moeten worden aangemerkt als detailhandel heeft de stichting ter zitting nader toegelicht dat zij hiermee doelt op de verkoop van goederen aan bedrijven. Namens het LMB is ter zitting medegedeeld dat de handel een ondergeschikt onderdeel van zijn activiteiten betreft. De Afdeling is van oordeel dat het streekplan zich niet verzet tegen deze handelsactiviteiten van het LMB. Het betoog faalt.

2.3.7. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad het provinciale beleid in zoverre afdoende in zijn afweging heeft betrokken.

2.4. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

425-683.