Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6369

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201003586/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2010, nr. B.1, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve en partiële herziening 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003586/1/R3.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Appelscha, gemeente Ooststellingwerf,

en

de raad van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2010, nr. B.1, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve en partiële herziening 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 13 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J.W. van Wijk, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plan, voor zover dat niet voorziet in een positieve bestemming van zijn als zodanig in gebruik zijnde woning aan de [locatie A] te Appelscha. In dit verband is volgens [appellant] van belang dat zijn woning reeds geruime tijd in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) als burgerwoning wordt getaxeerd. Daarnaast heeft de raad geen plannen om de thans geldende agrarische bestemming te effectueren. Bovendien zijn enkele andere, in de nabijheid van het perceel van [appellant] gelegen woningen wel als zodanig bestemd.

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden waarop de woning van [appellant] staat geen onderdeel uitmaken van het plan en herziening van de geldende bestemming voor deze gronden niet binnen de doelstellingen van het plan valt. Bovendien zijn volgens de raad andere soortgelijke gevallen ook niet in het plan opgenomen. Derhalve heeft de raad de door [appellant] ingediende zienswijze niet gehonoreerd.

Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat het door [appellant] als burgerwoning in gebruik zijnde gebouw aan de [locatie A] een bijgebouw behorende bij de woning aan de [locatie B] betreft. De raad heeft aangegeven dat het bestemmingsplan "Buitengebied" in 2006 voor een periode van tien jaar integraal is herzien. In dat plan is de agrarische bestemming van de woning aan de [locatie B] gewijzigd in de bestemming als burgerwoning. Destijds was er geen aanleiding om het bijgebouw bij deze toenmalige agrarische dienstwoning eveneens als burgerwoning te bestemmen. Thans bestaat volgens de raad deze aanleiding nog steeds niet en het verzoek van [appellant] valt buiten de doelstellingen van het plan.

2.3. Het voorliggende plan betreft een herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied", dat de raad heeft vastgesteld op 28 februari 2006 en dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân op 17 oktober 2006 gedeeltelijk heeft goedgekeurd. Op de beroepen tegen dit besluit omtrent goedkeuring heeft de Afdeling beslist in haar uitspraak van 20 februari 2008, in zaak nr. 200608665/1.

2.4. Blijkens de plantoelichting heeft het plan de volgende doelstellingen:

- het herstellen van verschillende, verspreid over het plangebied gelegen onderdelen van het bestemmingsplan "Buitengebied" waaraan goedkeuring is onthouden;

- het herstellen van een aantal, veelal kleine en technische omissies van het bestemmingsplan "Buitengebied";

- het verwerken van actueel beleid in de planregels voor serre- en boogstallen, mantelzorg, paardenbakken voor hobbymatig gebruik, paardenhouderijen en kamperen;

- het verwerken van vrijstellingen welke sinds de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) zijn verleend.

2.5. De Afdeling stelt vast dat de gronden waarop de woning van [appellant] staat geen deel uitmaken van het plangebied van het voorliggende plan.

Het standpunt van de raad dat de strekking van het plan zich beperkt tot de in de plantoelichting weergegeven en hierboven omschreven doelstellingen, acht de Afdeling rechtens niet onjuist. De wens van [appellant] om zijn woning aan de [locatie A] als burgerwoning te bestemmen, valt niet in deze doelstellingen van het plan. Voor zover in dit plan wel is voorzien in een wijziging van de functie van agrarische dienstwoningen naar burgerwoningen, betreft het reeds op grond van artikel 19 WRO verleende vrijstellingen, waarvan opneming in het plan wel binnen de doelstellingen van het plan valt.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] omtrent de Wet WOZ overweegt de Afdeling dat [appellant] aan de omstandigheid dat bij de berekening van de waarde van zijn onroerende zaken het bijgebouw als zelfstandige burgerwoning is aangemerkt, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan ontlenen dat het bijgebouw bij de procedure omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan als burgerwoning wordt aangemerkt. De waardevaststelling in het kader van de Wet WOZ is immers niet relevant bij het vaststellen van een bestemming in het kader van een bestemmingsplan in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de zienswijze van [appellant] om het bijgebouw als zelfstandige burgerwoning te bestemmen, in redelijkheid niet behoefde te honoreren.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

177-679.