Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
200908667/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2009, kenmerk CAS200900011203, heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning ingevolge de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het draineren en gedeeltelijk ophogen van percelen aan de Kruisstraat (ongenummerd) te Nederweert.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10
Natuurbeschermingswet 1998 16
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19f
Natuurbeschermingswet 1998 19g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/100
BR 2011/106 met annotatie van H.E. Woldendorp
Milieurecht Totaal 2011/6090
Milieurecht Totaal 2011/5602
ABkort 2011/138
JOM 2011/631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908667/1/R2.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel, gevestigd te Deurne,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2009, kenmerk CAS200900011203, heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning ingevolge de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het draineren en gedeeltelijk ophogen van percelen aan de Kruisstraat (ongenummerd) te Nederweert.

Tegen dit besluit heeft Werkgroep Behoud de Peel bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Werkgroep Behoud de Peel en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2011, waar Werkgroep Behoud de Peel, vertegenwoordigd door ing. C.P.J. Vieveen, en het college, vertegenwoordig door mr. G.H.J.M. in de Braek en ing. N.G. Castenmiller, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door ing. T.F.G. Heijligers, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft krachtens de Nbw 1998 een vergunning verleend voor het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen aan de Kruisstraat te Nederweert, die naast het beschermd natuurmonument "Sarsven en De Banen" (hierna: het beschermd natuurmonument) en het Natura 2000-gebied "Sarsven en De Banen" (hierna: het Natura 2000-gebied) liggen.

2.2. Bij besluit van 8 mei 1979, kenmerk NLB/N-34832, is het gebied "Sarsven en De Banen" aangewezen als beschermd natuurmonument. Het Natura 2000-gebied is bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004, nummer NL2003043, ingevolge de richtlijn 92/43/EEG (PbEG L 206, van 22 juli 1992, blz. 7; hierna: Habitatrichtlijn), geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang. Het Natura 2000-gebied omvat mede het gehele beschermd natuurmonument "Sarsven en De Banen".

2.3. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold de Nbw 1998, zoals die na wijziging van kracht is geworden met ingang van 1 februari 2009.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Nbw 1998, kan onze minister bij besluit een natuurmonument aanwijzen als beschermd natuurmonument. Het besluit gaat vergezeld van een kaart waarop het beschermd natuurmonument is aangegeven en een toelichting.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge artikel 16, derde lid, voor zover hier van belang, wordt een vergunning als bedoeld in het eerste lid, voor zover die betrekking heeft op het verrichten, het doen verrichten of het gedogen van handelingen die significante gevolgen kunnen hebben voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor dieren of planten in een beschermd natuurmonument, slechts verleend indien met zekerheid vaststaat dat die handelingen de natuurlijke kenmerken van het beschermd natuurmonument niet aantasten, tenzij dwingende redenen van groot openbaar belang tot het verlenen van een vergunning noodzaken.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, is het in het eerste lid bedoelde verbod tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid, die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10 van de Nbw 1998.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover het college een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het college een besluit neemt, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien het college zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

De artikelen 19f en 19g van de Nbw 1998 zijn een implementatie van de in artikel 6, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn vervatte procedure voor voorafgaande beoordeling van een project voor een Natura 2000-gebied.

2.4. Werkgroep Behoud de Peel betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast ten gevolge van de vergunde activiteit. Zij stelt dat het college heeft miskend dat het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen en de voorgenomen vestiging van een kwekerij voor truffels, inclusief bedrijfsbebouwing, tezamen genomen één project zijn en onder één passende beoordeling en één vergunning moeten worden gebracht.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een besluit diende te worden genomen op de aanvraag zoals die is ingediend en die uitsluitend het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen betreft.

2.4.2. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de voorgenomen vestiging van een kwekerij op de percelen enerzijds en de drainage en het gedeeltelijk ophogen van de percelen anderzijds in voldoende mate van elkaar te onderscheiden, zodat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het college bij het bestreden besluit de vergunning had dienen te weigeren, omdat de aanvraag niet tevens de voorgenomen vestiging van een kwekerij op de percelen omvatte. Hierbij betrekt de Afdeling dat de effecten van beide afzonderlijk zijn te beoordelen. Het betoog faalt. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot de voorgenomen vestiging van een kwekerij voor truffels geen bespreking. 2 maart 2011

2.5. Voorts betoogt Werkgroep Behoud de Peel dat de door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoeken niet kunnen worden aangemerkt als een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998. Zulks te meer niet, nu de drainage in strijd is met een van de onderzoeken, te weten het zogenoemde "Nieuw Limburgs Peil" (hierna: NLP), zoals vastgesteld door het dagelijks bestuur van Waterschap Peel en Maasvallei op 2 juni 2010, in opdracht van het college.

2.5.1. Het college stelt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoeken tezamen kunnen worden aangemerkt als een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998. Op grond van de passende beoordeling stelt het college zich op het standpunt dat de drainage van de percelen de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantast.

2.5.2. Het NLP, dat het Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime vervangt, bevat een streefbeeld van de waterhuishouding dat gemiddeld in 2015 moet zijn behaald. Daartoe worden verschillende maatregelen aanbevolen, waaronder peilgestuurde drainage en het omleiden van de Rietbeek en Einderbeek. Ten behoeve van deze maatregelen is een passende beoordeling gemaakt, die is neergelegd in het door bureau Taken Landschapsarchitectuur & Ecologie in opdracht van het Waterschap Peel en Maasvallei, opgestelde rapport "Habitattoets t.b.v. afstemming GGOR-Natura 2000, Peelvenen en peelrestanten" van 30 mei 2007. Uit de beoordeling volgt dat de in het NLP neergelegde maatregelen de habitattypen waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen, niet zullen aantasten.

2.5.3. Niet in geschil is dat het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen significante gevolgen kunnen hebben voor het Natura 2000-gebied, zodat hiervoor een passende beoordeling moet worden gemaakt als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de door het college aan de vergunning ten grondslag gelegde onderzoeken onvoldoende op dit concrete geval toegespitst om de conclusie te kunnen dragen dat het college zich ervan heeft kunnen verzekeren dat het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen niet zullen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Voor zover het college desalniettemin het standpunt inneemt dat de drainage past binnen het algemene kader van het NLP zodat hiervoor een vergunning kon worden verleend, overweegt de Afdeling dat het NLP het college niet ontslaat van de verplichting om te bezien hoe de in de vergunningaanvraag vermelde drainage en gedeeltelijke ophoging van de percelen in dit concrete geval zich verhouden tot de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Het ontbreken van een specifieke, op de concrete vergunningaanvraag toegespitste, beoordeling klemt te meer gelet op de geringe afstand tussen de percelen en het Natura 2000-gebied. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 op grond waarvan het college zich heeft kunnen verzekeren dat het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

2.6. In hetgeen de Werkgroep Behoud de Peel heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 19f en 19g van de Nbw 1998. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met genoemde wettelijke bepalingen te worden vernietigd.

2.7. In het nader ingezonden stuk "Hydrologische berekening Sarsven-De Banen", (hierna: de hydrologische berekening) uit januari 2011, ingekomen bij de Afdeling op 10 januari 2011, en opgesteld door Waterschap Peel Maasvallei, is alsnog een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen van het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Hieruit volgt dat ter plaatse van de percelen een verdroging optreedt ten gevolge van de drainage. Deze verdroging heeft volgens de hydrologische berekening echter geen uitstralingseffect naar het Natura 2000-gebied. Voor zover de Werkgroep Behoud de Peel zich in dit verband op het standpunt stelt dat de cumulatieve effecten van de truffelkwekerij hadden moet worden betrokken in de passende beoordeling overweegt de Afdeling dat nog geen Nbw-vergunning is aangevraagd voor de truffelkwekerij. Omdat in afwachting van een besluit op een aanvraag voor een Nbw-vergunning doorgaans niet zeker is of, en zo ja met welke voorschriften, de vergunning verleend zal worden en in dit geval de omstandigheden geen aanleiding geven om hierover anders te oordelen, moet de vestiging van de truffelkwekerij op het perceel worden aangemerkt als een onzekere toekomstige gebeurtenis. Gelet hierop is in de hydrologische berekening terecht de vestiging van de truffelkwekerij op het perceel buiten beschouwing gelaten. Hetgeen de Werkgroep Behoud de Peel verder heeft aangevoerd geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de hydrologische berekening onvolledig of onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft het college zich op grond van de hydrologische berekening ervan kunnen verzekeren dat het draineren en gedeeltelijk ophogen van de percelen geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied met zich brengt. De Afdeling ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 24 september 2009, kenmerk CAS200900011203;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan de stichting Stichting Werkgroep Behoud de Peel, het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

12-647.