Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201007027/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2010 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007027/1/H3.

Datum uitspraak: 2 maart 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2010 in zaak nr. 10/935 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2010 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2011, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. S.L. de Koning, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de VOG van een natuurlijk persoon kennis nemen van met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie alsmede van gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters.

Bij de beoordeling van een verzoek om afgifte van een VOG hanteert de minister beleidsregels die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008, vastgesteld bij besluit van de minister van 1 april 2008 (Stcrt. 2008, 119).

Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Aan de aanvrager die in het geheel niet voorkomt in de justitiële documentatie wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1.1 vindt beoordeling in beginsel plaats op grond van de justitiële gegevens die in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag voorkomen. Indien in de voor de aanvraag relevante terugkijktermijn justitiële gegevens zijn aangetroffen, worden alle voor de aanvraag relevante gegevens uit de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag beoordeeld. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt onder meer afgeweken wanneer de aanvraag voor de VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen. Indien de aanvraag voor de VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen wordt aangesloten bij de in de desbetreffende wet of regeling opgenomen termijn.

Volgens de toelichting bij de beleidsregels is van een afwijkende terugkijktermijn in een bijzondere wet of regeling bijvoorbeeld sprake in het geval van aanvragen gerelateerd aan de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm), omdat in artikel 8, derde lid, van de Regeling wapens en munitie (hierna: de Regeling) is opgenomen dat de aanvrager in de afgelopen acht jaren niet mag zijn veroordeeld voor de daarin opgesomde strafbare feiten.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de minister bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen, bedoeld in paragraaf 3.2.3 van de Beleidsregels. Het specifieke screeningsprofiel 'aanvragen gerelateerd aan de Wet wapens en munitie' betreft bijvoorbeeld een lidmaatschap van een schietvereniging. In afwijking tot de reguliere terugkijktermijn van vier jaren, wordt een terugkijktermijn van acht jaren gehanteerd.

Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Regeling mag de aanvrager van een erkenning of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de Wwm niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens:

a. de Wet van 9 mei 1890 (Stb. 81), houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen;

b. de Vuurwapenwet 1919;

c. de Wet tot wering van ongewenste handwapenen;

d. de Wet wapens en munitie;

e. de artikelen 92 tot en met 110, 115, 116, 121 tot en met 125, 131, 141, 181, 182, 191, 208, 209, 225, 226, 242, 246, 250ter, 282, 282a, 285, 287 tot en met 289, 300, tweede, derde en vierde lid, 301, tweede en derde lid, 302, 303, 310, 311, 312, 317, 322, 326, 328, 336, 341, 343 tot en met 345, 350, 359, 360, 367, 381, 385a, 385b, 416, 417, 417bis en 437 tot en met 437quater, van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen van Titel VII van het Tweede Boek, van het Wetboek van Strafrecht;

f. de artikelen 77, 78, 81, 82, 98 tot en met 100, 116, 117, 119 en 120 van het Wetboek van Militair Strafrecht;

g. de Opiumwet.

2.2. [appellant] heeft om een VOG verzocht ten behoeve van het lidmaatschap van een schietvereniging.

2.3. De minister heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat ten aanzien van [appellant] in de justitiële documentatie binnen een terugkijktermijn van acht jaren een registratie is aangetroffen ter zake van mishandeling als bedoeld in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Deze registratie brengt volgens de minister mee dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. De minister stelt zich op het standpunt dat toepassing van het subjectieve criterium er niet toe leidt dat aan [appellant] een VOG dient te worden verstrekt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de afwijkende terugkijktermijn van acht jaren, zoals die is opgenomen in artikel 8, derde lid, van de Regeling, enkel geldt voor de aanvrager of beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de Wwm. Er is geen afwijkende termijn opgenomen voor de aanvrager van een VOG. Volgens [appellant] dient in zijn geval dan ook de standaard terugkijktermijn van vier jaren te worden toegepast, zodat de VOG aan hem had moeten worden verstrekt. Tevens voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in artikel 8, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn van acht jaren alleen geldt voor de in die bepaling genoemde strafbare feiten. Nu mishandeling als bedoeld in artikel 300, eerste lid, van het WvSr niet is opgenomen in artikel 8, derde lid, van de Regeling is de terugkijktermijn van acht jaren niet op hem van toepassing, aldus [appellant]. Uit de toelichting op de Beleidsregels blijkt volgens [appellant] eveneens dat de aanvrager van een wapenverlof in de afgelopen acht jaren niet mag zijn veroordeeld voor de daarin opgesomde strafbare feiten. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij ook op basis van de toelichting op artikel 8 van de Regeling voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor een VOG. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister slechts bij een in de bijzondere wet of regeling genoemde termijn behoeft aan te sluiten en geen andere aspecten uit de Regeling bij zijn beoordeling hoeft te betrekken.

2.4.1. De betogen slagen. In de Beleidsregels is in het geval van aanvragen gerelateerd aan de Wwm aansluiting gezocht bij de in artikel 8, derde lid, van de Regeling vermelde termijn van acht jaren voor een aantal specifieke strafbare feiten. De aansluiting bij de bijzondere wet of regeling heeft de strekking om de toepassing van de regelgeving van de Wjsg bij een aanvraag als de onderhavige in de pas te laten lopen met de toepassing van de Wwm en de regelgeving ter nadere uitwerking van laatstgenoemde wet. Het is in strijd met deze strekking om de toepassing van deze wet- en regelgeving uit de pas te laten lopen als het om specifieke strafbare feiten gaat. De opsomming van deze strafbare feiten is het resultaat van een afweging van het risico voor de samenleving tegen het belang van de aanvrager of beheerder. Die afweging heeft er kennelijk toe geleid dat artikel 300, eerste lid, van het WvSr niet in artikel 8, derde lid, van de Regeling is opgenomen. Voorts is in de Beleidsregels niet uitdrukkelijk bepaald dat de in artikel 8, derde lid, van de Regeling genoemde termijn ook zou gelden, voor zover het andere dan de daarin genoemde strafbare feiten betreft. Volgens de toelichting op paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels geldt een afwijkende terugkijktermijn in het geval van aanvragen gerelateerd aan de Wwm, omdat in artikel 8, derde lid, van de Regeling is opgenomen dat de aanvrager in de afgelopen acht jaren niet mag zijn veroordeeld voor de daarin opgesomde strafbare feiten. Gelet op het vorenstaande valt zonder nadere motivering niet in te zien, dat de minister wat de terugkijktermijn betreft terecht aansluiting heeft gezocht bij de in artikel 8, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn. Nu artikel 300, eerste lid, van het WvSr niet is opgenomen in artikel 8, derde lid, van de Regeling had de minister in dit geval nader moeten motiveren waarom niettemin van een terugkijktermijn van acht jaren moet worden uitgegaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 februari 2010 van de minister alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2010 in zaak nr. 10/935;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 26 februari 2010, kenmerk 025200200911200001;

V. draagt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

97-637.