Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201005708/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2008 heeft het college het variabele deel van de op 10 maart 2008 verleende subsidie (hierna: de variabele inkomstenderving) vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005708/1/H2.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 april 2010 in zaak nr. 09/3573 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2008 heeft het college het variabele deel van de op 10 maart 2008 verleende subsidie (hierna: de variabele inkomstenderving) vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 24 juli 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 24 september 2008 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 29 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 juli 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2011, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels, werkzaam bij het college, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geschil is de Subsidieregeling agrarisch natuurbeer Gelderland 2008 (hierna: de PSAN 2008) van toepassing.

Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de PSAN 2008, wordt per hectare voor de onderdelen van het beheerpakket Ganzenfoerageergebied, opgenomen in bijlage 28c, een beheersbijdrage vastgesteld waarbij voor de onderdelen Grasland en Bouwland per hectare een maximumbedrag wordt vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid adviseert het Faunafonds, bedoeld in artikel 83 van de Flora- en faunawet, over de omvang van een variabel bedrag per hectare. Deze omvang wordt per beheerseenheid bepaald aan de hand van de inkomstenderving die in de bedoelde beheerseenheid door het foerageren van ganzen is veroorzaakt en voor zover die niet reeds als vaste component in de maximumbeheersbijdrage van het eerste lid is opgenomen.

Ingevolge het derde lid berust het advies van het Faunafonds op taxaties die op grond van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds worden uitgevoerd door taxateurs.

Ingevolge artikel 29 kan beheerssubsidie worden verstrekt ten behoeve van een terrein met het oog op de ontwikkeling of instandhouding van een beheerspakket opgenomen in de bijlagen 28b en 28c voor zover gelegen in een door de provincie begrensd fourageergebied.

Ingevolge beheersvoorschrift 6 van de beheerseenheid A, grasland, van bijlage 28c, voor zover thans van belang, is beweiding na 1 februari wel toegestaan maar worden de beweide percelen in dat geval niet getaxeerd en wordt geen variabele inkomstenderving uitgekeerd.

2.2. [appellant] is beheerder van een perceel grasland, aangewezen als beheerseenheid 223 (hierna: de beheerseenheid), in het gebied genaamd de Lingewaard en eigenaar van een paardenstal met 30 paarden.

Bij besluit van 10 maart 2008 heeft het college aan [appellant] een subsidie verleend, bestaande uit een vaste beheersvergoeding en een variabele inkomstenderving voor het pakket "grasland" vanwege overwinterende ganzen op de beheerseenheid. Het college heeft bij dit besluit meegedeeld dat de hoogte van deze variabele inkomstenderving in een later stadium door middel van een taxatie wordt vastgesteld.

Op 14 maart 2008 heeft taxateur J. Timmers, werkzaam bij het bureau Taxatiebureau Overheul Agro B.V., in opdracht van het Faunafonds de beheerseenheid bezocht. Hij heeft geen taxatie verricht, omdat hij constateerde dat de beheerseenheid beweid werd door paarden. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een proces-verbaal, getekend op 6 juni 2008.

In het besluit op bezwaar van 24 juli 2009 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de variabele inkomstenderving bij het besluit van 24 september 2008 terecht op nihil is vastgesteld, nu uit de waarnemingen van Timmers van 14 maart 2008 was gebleken dat ter plaatse beweiding door paarden heeft plaatsgevonden, zodat niet kon worden bepaald of schade aan de beheerseenheid is veroorzaakt door ganzen.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dit standpunt gevolgd en om die reden de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juli 2009 in stand gelaten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit de ter zitting afgelegde verklaring van Timmers blijkt dat op 14 maart 2008, dus na 1 februari van dat jaar (2008), de beheerseenheid werd beweid.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is afgegaan op de verklaring van Timmers ter zitting bij de rechtbank, dat er op 14 maart 2008 paarden op de beheerseenheid stonden. Die verklaring is volgens [appellant] onjuist, omdat er op die dag geen paarden op de beheerseenheid stonden. Volgens [appellant] heeft Timmers de paarden op het perceel van zijn buurman ten onrechte als de zijne aangemerkt. Hij stelt dat uit het feit dat Timmers in 2009 bij hem heeft geïnformeerd waar de Defensiedijk lag, blijkt dat deze de plaatselijke situatie ten tijde van de taxatie niet goed kende. Volgens [appellant] heeft de rechtbank aan de verklaring van Timmers voorts ten onrechte waarde gehecht, nu uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, dat Timmers twijfelend en timide overkwam.

2.3.1. De rechtbank heeft Timmers ter zitting van 8 april 2010 onder ede gehoord als getuige-deskundige. In het proces-verbaal van deze zitting, pagina 2, staat het volgende:

"[…] De rechter: Op 14 maart 2008 bent u naar de beheerseenheid van de heer [appellant] gegaan. Wat heeft u daar gezien?

Getuige (lees: Timmers): ik heb paarden gezien, redelijk forse paarden.

Rechter: u hebt bij uw rapport een kaart overgelegd aan verweerder, kunt u op die kaart aanwijzen waar u de paarden hebt gezien?

De getuige komt naar voren, tezamen met de andere procespartijen en verklaart: ik heb de paarden midden in het terrein gezien, (getuige wijst op de kaart die bij zijn rapport behoort de beheerseenheid van eiser (lees: [appellant]) aan). Ik heb er niet op gelet of er hekwerken in het terrein aanwezig waren.

De rechter toont een kaart waarop een kleiner perceel als eenheid is weergegeven.

De getuige: desgevraagd: ik heb beslist paarden gezien in de beheerseenheid en niet in aangrenzende gebieden. Ik heb dat beoordeeld aan de hand van de kleinere kaart. Ik heb aan de hand van het correcte kaartmateriaal beoordeeld […] ."

2.3.2. Uit bovenstaand citaat blijkt dat Timmers uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verklaard, dat hij op 14 maart 2008 paarden heeft waargenomen op de beheerseenheid. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat Timmers twijfelachtig en timide overkwam en de rechtbank om die reden niet op deze verklaring heeft mogen afgaan.

Anders dan door [appellant] is betoogd, is niet aannemelijk geworden dat Timmers het verkeerde perceel heeft beoordeeld. Uit bovenstaand citaat blijkt dat Timmers ter zitting bij de rechtbank op een tekening van de beheerseenheid en een tekening met de omliggende percelen, heeft aangewezen waar hij paarden heeft gezien en dat dit het perceel van [appellant] betrof. Verder heeft hij verklaard dat hij alleen paarden op de beheerseenheid heeft waargenomen en niet op de aangrenzende percelen.

Het feit dat Timmers bij de bij het proces-verbaal van zijn bevindingen op 14 maart 2008 gevoegde tekening naast het perceel van [appellant] ook de percelen van de buren van [appellant] heeft gearceerd, maakt niet dat hij ook de percelen van de buren van [appellant] heeft beoordeeld.

Dat Timmers in 2009 bij [appellant] heeft nagevraagd waar de Defensiedijk is gesitueerd en dat daarmee aannemelijk is dat Timmers in plaats van vanaf de Defensiedijk vanaf de Waaldijk en daardoor van te grote afstand van zijn perceel paarden heeft waargenomen, heeft [appellant] verder niet aannemelijk gemaakt. De door [appellant] overgelegde verklaring van T. van Sommeren van 2 februari 2010 en de door Timmers op 6 januari 2011 ingebrachte verklaring van A. Crezee van 12 februari 2009, doen niet af aan hetgeen Timmers onder ede heeft verklaard. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de verklaring van Van Sommeren achteraf opgemaakt en blijkt hieruit niet dat de waarnemingen van Timmers op 14 maart 2008 onjuist waren. Die verklaring is te algemeen van aard om die van Timmers te kunnen weerspreken. Dit geldt eveneens voor de verklaring van Crezee.

De rechtbank heeft dan ook de verklaring van Timmers aan haar uitspraak ten grondslag kunnen leggen.

2.3.3. Nu uit genoemde verklaring van Timmers blijkt dat op de beheerseenheid na 1 februari 2008, te weten op 14 maart 2008, paarden stonden, behoefde de beheerseenheid niet te worden getaxeerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college [appellant] op grond van bijlage 28c van de PSAN 2008 terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een variabele inkomstenderving.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

47-680.