Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201100012/3/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/176
NJB 2011, 643

Uitspraak

201100012/3/V3.

Datum uitspraak: 25 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[vreemdeling],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 3 december 2010 in zaak nr. 10/25730 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 3 december 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 december 2010, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter bij brief, binnengekomen op 24 januari 2011, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 27 januari 2011, in zaak nr. 201100012/2/V3, heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet totdat na de behandeling van het verzoek ter zitting uitspraak is gedaan.

De vreemdeling en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 februari 2011, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Uit de voornoemde uitspraak van 27 januari 2011 blijkt dat de voorzitter het verzoek heeft toegewezen mede om partijen in de gelegenheid te stellen ter zitting hun standpunt te geven over de mogelijke relevantie van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, nr. 30696/09 (hierna: het arrest in de zaak M.S.S.) voor de beoordeling van het hoger beroep van de vreemdeling.

2.2. De vreemdeling heeft zich in het kader van zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, gelezen in samenhang met het door hem ingediende hogerberoepschrift, op het standpunt gesteld dat Italië bij de behandeling van asielaanvragen in strijd met het Unierecht handelt en in dat verband betoogd dat de minister gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken op de voet van artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

De vreemdeling heeft voorts gesteld dat uit een aantal door de President van het EHRM op de voet van "Rule 39" ten aanzien van Italië getroffen interim measures kan worden afgeleid dat het EHRM twijfelt aan de kwaliteit van de asielprocedure in Italië. Tevens heeft hij aangegeven dat Italië in een aantal gevallen getroffen interim measures heeft genegeerd. Verder voert hij aan dat de door het Court of Appeal van Engeland en Wales op 12 augustus 2010 gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de reikwijdte van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan overdracht in de weg staan.

2.3. De vreemdeling heeft, ter onderbouwing van zijn betoog dat de minister met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening, de beoordeling aan zich zou moeten trekken, in de besluitvormingsfase onder meer verwezen naar de volgende documenten over de algehele situatie in Italië:

1) Het jaarrapport 2009 van Amnesty International over Italië.

2) Het rapport 'Over the Wall' (samenvatting in het Engels) van januari 2010, opgesteld door Artsen zonder grenzen.

3) Het artikel "Asiel in zuid-Europa, het Italiaanse asielsysteem in het kader van de EU-wetgeving" van mr. A. Ricci Ascoli (NAV, nr. 3, juni 2009, blz. 176-186). In dit artikel wordt gewezen op een aantal punten waarop Italië bij de beoordeling van asielaanvragen in strijd met de Procedurerichtlijn zou handelen.

Bij brief van 4 februari 2011 heeft de vreemdeling, ter nadere onderbouwing van zijn verzoek, nog een aantal documenten overgelegd, onder meer:

4) Het rapport 'Survey on legal aid for asylum seekers in Europe' uit oktober 2010 van de European Council on Refugees and Exiles, de ECRE.

5) Rapporten van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa van 9 november 2010 ('Preventing harm to refugees and migrants in extradition and expulsion cases: Rule 39 indications by the European Court of Human Rights') en 20 december 2010 ('Implementation of judgements of the European Court of Human Rights'), waaruit volgens de vreemdeling blijkt dat Italië geregeld interim measures van het EHRM naast zich neerlegt en vreemdelingen uitzet.

6) Rapporten van de Sweizerische beobachtungsstelle für asyl- und ausländerrecht uit november 2009 en Save the Children uit januari 2011.

De vreemdeling heeft tijdens het zogeheten Dublingehoor op 1 april 2010 voorts aangegeven in Italië te zijn mishandeld in het asielzoekerscentrum.

2.4. Ter zitting heeft de vreemdeling, ter nadere onderbouwing van zijn verzoek, gesteld dat, samengevat weergegeven, het arrest in de zaak M.S.S., niet enkel van belang is voor overdrachten aan Griekenland, maar ook voor overdrachten aan andere lidstaten van de Europese Unie, zoals in casu Italië. Uit dit arrest blijkt immers dat het EHRM waarde hecht aan algemene stukken over de opvang- en detentieomstandigheden en de kwaliteit van de asielprocedure in de ontvangende lidstaat, alsmede aan de ervaringen van de betrokken vreemdeling in die lidstaat, zélfs als die ervaringen niet met ondersteunend bewijs, anders dan algemene stukken, kunnen worden onderbouwd. Reeds nu uit dit arrest voortvloeit dat het in de onderhavige zaak gehanteerde toetsingskader ten aanzien van de beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 3, tweede lid, van de Verordening, neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 niet langer kan worden toegepast, kan de uitspraak van de rechtbank volgens de vreemdeling niet in stand worden gelaten.

2.5. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het arrest in de zaak M.S.S. ook aan overdracht aan andere lidstaten, zoals in casu Italië, in de weg zou moeten staan. Het enkele gegeven dat er informatie is op basis waarvan vraagtekens te plaatsen zijn bij de toepassing van de asielprocedure in Italië, leidt nog niet tot de conclusie dat overdracht strijd oplevert met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De minister heeft er in dit verband op gewezen dat de verklaringen van de vreemdeling over zijn wederwaardigheden in Italië weinig gedetailleerd zijn en in het geheel niet worden onderbouwd. Dat de vreemdeling op een zeker moment verstoken was van opvang, wil niet zeggen dat sprake is geweest van schending van de verplichtingen die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn. Uitgeprocedeerden kunnen immers geen aanspraak maken op opvang op basis van die richtlijn.

Hoewel, zo stelt de minister, kanttekeningen te plaatsen zijn bij de asielprocedure in Italië, is de beschikbare informatie over Italië niet van dezelfde aard en intensiteit, als de informatie die over de Griekse asielprocedure voorhanden was. Uit de beschikbare bronnen blijkt dat het inwilligingspercentage in Italië significant hoger is dan de percentages die met betrekking tot Griekenland bekend waren. Voorts wordt in Italië in enigerlei vorm in opvang voorzien. Indien geen opvang kan worden geboden, dan ontvangt de asielzoeker een geldbedrag om in onderdak en onderhoud te voorzien.

De minister wijst er voorts op dat het arrest in de zaak M.S.S. voorafgegaan is door een min of meer generieke interim measure voor uit Centraal- en Zuid-Somalië afkomstige asielzoekers waarvoor Griekenland op basis van de Verordening verantwoordelijk was, en later door een nagenoeg ongeclausuleerde interim measure voor alle overdrachten aan Griekenland. Van een vergelijkbare praktijk is ten aanzien van Italië, zo stelt de minister, geen sprake. Uit kort voor het arrest in de zaak M.S.S. genomen beslissingen is voorts gebleken dat de President van het EHRM in ieder geval in één zaak een getroffen interim measure met betrekking tot overdracht aan Italië heeft opgeheven en in een andere zaak geen aanleiding heeft gezien om een interim measure te treffen

2.6. De voorzitter ziet zich thans gesteld voor de vraag of er, mede gelet op het arrest in de zaak M.S.S., op basis van de thans in rechte ingebrachte informatie aanleiding bestaat voor de conclusie dat overdracht van de vreemdeling aan Italië strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM. In dit arrest, dat handelt over overdracht met toepassing van de Verordening door België naar Griekenland, kwam het EHRM tot het oordeel dat de situatie in Griekenland en de overdracht door België naar Griekenland op een aantal punten strijdig is met artikel 3 van het EVRM, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 13 van het EVRM.

2.7. In het besluit van 20 juli 2010 en het daarin ingelaste voornemen, heeft de minister van Justitie zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen concrete, op zijn individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op basis waarvan zijn asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening in behandeling zou moeten worden genomen. De minister heeft bij dit oordeel betrokken dat de vreemdeling zijn verklaringen niet heeft kunnen onderbouwen met documenten die zien op zijn eigen asielaanvraag in Italië, dat de documenten waar hij een beroep op heeft gedaan te algemeen van aard en (deels) gedateerd zijn en geen specifieke gegevens bevatten die zien op de vreemdeling, maar louter algemene informatie.

De rechtbank heeft overwogen dat in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is de minister in zijn hiervoor weergegeven standpunt gevolgd.

2.8. Hoewel de vreemdeling moet worden toegegeven dat uit het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. moet worden afgeleid dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is en het, gelet daarop, niet op voorhand vaststaat dat de in hoger beroep aangevallen uitspraak en het bij de rechtbank bestreden besluit in stand kunnen blijven, ziet de voorzitter in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat uiteindelijk zal blijken dat de vreemdeling niet aan Italië mag worden overgedragen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de door het Court of Appeal van Engeland en Wales op 12 augustus 2010 gestelde prejudiciële vragen aan overdracht in de weg staat.

2.8.1. Daartoe wordt overwogen dat, zoals uit het arrest in de zaak M.S.S. blijkt, de voorhanden algemene informatie over de asielprocedure in Griekenland het EHRM tot de conclusie bracht dat sprake was van systematische problemen terwijl de Griekse autoriteiten klaarblijkelijk niet langer in staat of bereid waren om het optreden van excessen te voorkomen. De documenten waar de vreemdeling zich op heeft beroepen, nog daargelaten dat een belangrijk deel ervan met name betrekking heeft op de situatie van asielzoekers die zich over zee toegang tot Italië willen verschaffen en niet op vreemdelingen die in het kader van de Verordening aan Italië worden overgedragen, bieden naar voorlopig oordeel, onvoldoende grond voor de conclusie dat de toepassing van de asielprocedure in Italië in de praktijk van een zodanige aard is dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat wat voor Griekenland heeft te gelden in gelijke mate opgaat voor Italië en dat concretere informatie - informatie waaruit blijkt dat voor de vreemdeling bij overdracht een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 13 van het EVRM - niet zou kunnen worden verlangd.

2.8.2. In dit verband is van belang dat door de minister is gesteld dat aan asielzoekers, zo aan hen al geen opvang wordt verleend, een geldbedrag wordt verstrekt om in opvang en onderhoud te voorzien, hetgeen ter zitting niet is bestreden, en dat, zoals door de minister tevens is benadrukt, het inwilligingspercentage in Italië significant hoger is dan de percentages die met betrekking tot Griekenland bekend zijn. Ook kan met de minister worden geconstateerd dat de President van het EHRM weliswaar in bepaalde gevallen interim measures ten aanzien van overdracht naar Italië treft, maar dat er geen sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met de praktijk die, voorafgaand aan het arrest in de zaak M.S.S., was ontstaan in zaken waarin overdracht naar Griekenland aan de orde was. Dat Italië in het verleden getroffen interim measures zou hebben genegeerd, is evenmin reden voor het oordeel dat de vreemdeling niet naar dit land kan worden overgedragen, reeds nu niet aannemelijk is geworden dat dit ook is gebeurd in zaken waarin een vreemdeling met toepassing van de Verordening is overgedragen.

2.8.3. Voorts is van betekenis dat het persoonlijk relaas van de vreemdeling, zoals door de minister ter zitting eveneens is gesteld, voorshands geen indicaties biedt voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vreemdeling heeft in Italië immers een asielaanvraag kunnen indienen, naar aanleiding waarvan een beslissing is genomen. Voorts heeft de vreemdeling tijdens deze procedure opvang genoten. De enkele stelling dat hij tijdens zijn verblijf in het asielzoekerscentrum in Italië zou zijn mishandeld, maakt dit niet anders nu hij in het geheel geen stukken heeft overgelegd die zien op de procedure die hij in Italië zou hebben doorlopen en zijn verklaringen over de eerdere procedure weinig gedetailleerd zijn.

2.9. De door de vreemdeling overgelegde documenten over de situatie in Italië en zijn relaas, geven thans dan ook geen grond voor het oordeel dat hem in Italië een behandeling te wachten zal staan zoals die blijkens het arrest in de zaak M.S.S. in Griekenland kan worden verwacht. Nu daarmee onvoldoende is komen vast te staan dat door de overdracht een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 13 van het EVRM, bestaat onder deze omstandigheden voor het treffen van een voorlopige voorziening, als verzocht geen aanleiding.

2.10. Gelet op voornoemde uitspraak van 27 januari 2011 ziet de voorzitter evenwel aanleiding de minister op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van der Winden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011

348.