Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201006333/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2009 heeft het college aan [belanghebbende] na toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure vrijstelling verleend voor het verlengen en verbreden van de Oude Tolweg te Nieuwediep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006333/1/H1.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Nieuwediep, gemeente Aa en Hunze,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 25 mei 2010 in zaak nr. 09/327 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2009 heeft het college aan [belanghebbende] na toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure vrijstelling verleend voor het verlengen en verbreden van de Oude Tolweg te Nieuwediep.

Bij uitspraak van 25 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2011, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. K.A. Luehof, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door L.H. Lunshof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het project voorziet in het verlengen van een ontsluitingsweg ten zuidoosten van het park "Parc Aqualanda" (hierna: het park) en het verbreden van deze weg van 3 tot 5 m.

2.2. Het project is in strijd met de bestemmingsplannen "Aqualande" en "Nieuwediep". Het college heeft daarvan met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals dat gold ten tijde van belang, kon de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kon de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij voeren aan dat het park niet kan worden aangemerkt als toeristisch of recreatief bedrijf, zodat het project niet in overeenstemming is met het Provinciaal Omgevingsplan II (hierna: POP II). Zij voeren verder aan dat het project in strijd is met het beleid van het college inzake de noodzakelijke verkeersontlasting van de woonkernen Bareveld/Wildervank, met name de Bareveldstraat. Voorts voeren zij aan dat het project leidt tot verkeersgevaarlijke situaties. De Polderweg is voor de ontsluiting van het park huns inziens geschikter en het zorgvuldigheidsvereiste brengt mee dat onderzoek diende te worden gedaan naar de mogelijkheden van verplaatsing van de ontsluiting dan wel beëindiging daarvan.

2.4.1. De ruimtelijke onderbouwing is te vinden in het rapport "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van legalisatie van verlenging en realisatie van verbreding van de Oude Tolweg te Nieuwediep".

2.4.2. Volgens het POP II, vastgesteld door Provinciale staten van Drenthe op 7 juli 2004, wordt bij vestiging of uitbreiding van toeristisch/recreatieve bedrijven aandacht besteed aan een zo kort mogelijke aansluiting op het hoofdwegennet en ontsluitend wegennet, in relatie tot de omvang van het bedrijf.

In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat vergunning is verleend voor 183 recreatiewoningen op het park en dat een aanvraag is ingediend voor uitbreiding met 53 woningen. Bij de rechtbank lag het besluit van 2 april 2009 voor. Dat ten tijde van dat besluit een deel van de recreatiewoningen werd bewoond, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het park een toeristisch/recreatief bedrijf in de zin van het POP II is. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het project, waarbij aandacht is besteed aan een zo kort mogelijke aansluiting op de N33, past binnen het POP II. Dat de zuidelijke afrit van de N33 zal verdwijnen en het project dan mogelijk niet meer voorziet in de kortst mogelijke aansluiting op de N33, betekent niet dat het project in strijd is met het POP II.

2.4.3. [appellanten] hebben pas in hoger beroep aangevoerd dat het project in strijd is met het beleid inzake de noodzakelijke verkeersontlasting van de woonkernen Bareveld/Wildervank, met name de Bareveldstraat. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellanten] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.4.4. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat in het kader van het akoestisch onderzoek een raming is gemaakt ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen en, de te onderscheiden categorieën verkeer, waarbij tevens rekening is gehouden met de extra verkeersaantrekkende werking die bestaat door aanwezige en te realiseren faciliteiten, en dat het aantal verkeersbewegingen op basis hiervan is vastgesteld op circa 650 per etmaal.

In de omstandigheden dat de in-/uitritten van de bewoners aan de Oude Tolweg haaks staan op de Oude Tolweg en dat de op- en afslag naar de afrit van de N33, naar gesteld, "steil omhooggaat" heeft de rechtbank terecht onvoldoende aanleiding gezien voor het oordeel dat door het project een onaanvaardbaar verkeersonveilige situatie wordt gecreëerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellanten] niet hebben aangevoerd dat het aantal verkeersbewegingen waarvan is uitgegaan onjuist is en dat het college heeft aangegeven dat het bij besluit van 23 september 2008 heeft besloten om de ontsluiting van de Oude Tolweg in te richten als 30 km-zone met de daarbij passende snelheidsremmende maatregelen en dat het daarvoor een verkeersbesluit zal nemen. Dat het college dit verkeersbesluit nog niet heeft genomen, doet er niet aan af dat de rechtbank bij haar beoordeling van het besluit van het college omtrent vrijstelling van 2 april 2009 het voornemen van het college om een zodanig besluit te nemen mocht betrekken.

2.4.5. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat volgens het akoestisch onderzoek van 10 oktober 2007 van het Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V. op alle punten wordt voldaan aan zowel de voorkeursgrenswaarde van geluidhinder ten gevolge van verkeer van en naar het park als de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet Geluidhinder. Dit onderzoek is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. In de enkele stelling dat niet is vermeld hoe onderzoek is gedaan heeft de rechtbank onder deze omstandigheden terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt niet juist is.

2.4.6. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het project zoals dat is aangevraagd. Indien dit project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat een dergelijk alternatief aanwezig is. Met het door hen voorgestelde alternatief van de Polderweg kan geen gelijkwaardig resultaat worden bereikt, reeds omdat deze route 2 kilometer langer is en vanwege de geringe breedte van de weg niet geschikt is als hoofdaansluiting.

De vergelijking met de door [appellanten] vermelde uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2010 in zaak nr. 200806422/1/R1 gaat niet op. In die zaak was het besluit omtrent goedkeuring van het door de raad van de gemeente Strijen vastgestelde bestemmingsplan "Polder het Oudeland, 1e herziening" aan de orde. Anders dan het vaststellen van een bestemmingsplan, is het verlenen van vrijstelling een besluit op een aanvraag, hetgeen betekent dat bij het verlenen van vrijstelling de aanvraag als uitgangspunt geldt.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het project. Zij voeren aan dat geen noodzaak bestaat voor het verlengen en verbreden van de Oude Tolweg nu reeds twee ontsluitingswegen aanwezig waren. Zij betogen dat de voormalige burgemeester van Aa en Hunze heeft toegezegd dat de Menweg de hoofdtoegangsweg zou zijn naar het asielzoekerscentrum dat destijds op het park werd gevestigd.

2.5.1. Het college heeft gesteld dat het park om te voldoen aan maatstaven van brandveiligheid en hulpverlening dient te beschikken over twee ontsluitingswegen. Ten tijde van het vrijstellingsbesluit waren geen twee ontsluitingswegen aanwezig. Dat deze eerder wel hebben bestaan, heeft de rechtbank terecht niet betrokken bij de beoordeling van het besluit van 2 april 2009. De door [appellanten] gestelde uitlatingen van [belanghebbende], dat hij geen belang heeft bij het project als de zuidelijke afrit van de N33 zal verdwijnen en hij niet verder in het park wenst te investeren, hebben zij niet aannemelijk gemaakt, zodat daaraan reeds daarom voorbij wordt gegaan.

2.5.2. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Op het park was ten tijde van het besluit van 2 april 2009 geen asielzoekerscentrum meer gevestigd, zodat sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden dat reeds hierom aan het door de burgemeester gestelde geen aanspraken meer kunnen worden ontleend. De uitlatingen door de voormalige burgemeester van Aa en Hunze zijn overigens enkel gedaan naar aanleiding van de toen heersende problematiek over het asielzoekerscentrum en niet in het kader van de aan de orde zijnde vrijstelling.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van

mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

414-564.