Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201006183/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2010:BM6306, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006183/1/H2.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Beesel,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats], gemeente Beesel,

appellanten (hierna: [appellanten]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 mei 2010 in zaak nr. 09/ 742 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beesel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college een verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu) heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2011, waar [appellanten], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.E.R. Slegers, ambtenaar in dienst van de gemeente, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.B.M. Lemmens, werkzaam bij Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit gold ten tijde van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellanten], sinds 29 december 1999 eigenaren van het perceel bouwland met tuinderskas nabij de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), exploiteren op het perceel een bloemkwekersbedrijf en kleinhandel in bloemen en planten. Zij hebben verzocht om vergoeding van de waardevermindering van hun perceel en bedrijf en om vergoeding van omzetderving ten gevolge van de inwerkingtreding op 29 juni 2002 van het bestemmingsplan "Rijksweg 73- Zuid", waardoor op- en afritten naar de Keulseweg zijn komen te vervallen.

2.2.1. Het college heeft zich in het besluit van 14 april 2009, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat [appellanten] door de planologische wijziging in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren. Het college heeft de hieruit voortvloeiende schade voor hun rekening gelaten, omdat de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van het perceel en het bedrijf voorzienbaar was op grond van het besluit van de minister van 3 maart 1995 tot vaststelling van het tracé van Rijksweg A73-Zuid en de ter inzage legging op 4 oktober 1999 van het voorontwerp bestemmingsplan "Rijksweg 73-Zuid".

2.3. [appellanten] voeren aan dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college niet aan hen kon tegenwerpen dat de planologische wijziging voorzienbaar was. Zij voeren aan dat het bedrijf aanvankelijk door de vader van [appellant sub 1] werd geëxploiteerd en na diens overlijden in 1997 door de moeder van [appellant sub 1]. In 1999 zagen [appellanten sub 1] zich genoodzaakt om het bedrijf over te nemen, omdat de moeder van [appellant sub 1] de verantwoordelijkheid hiervoor niet meer aan kon. [appellant sub 1] is sinds 1993 op deeltijd basis werkzaam geweest in het familiebedrijf en exploiteerde daarnaast een eigen agrarisch bedrijf. [appellanten] stellen dat reeds ten tijde van het tracékeuzebesluit van de minister sprake was van een samenwerkingsconstructie die gelijk kon worden gesteld met samenwerking in een maatschap.

2.3.1. De rechtbank moest onderzoeken of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor [appellanten] ten tijde van de aankoop van het perceel en het bedrijf op 29 december 1999 aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in voor hun ongunstige zin zou veranderen. Daartoe is van belang of destijds openbaar gemaakte concrete beleidsvoornemens van die strekking bestonden.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het vervallen van de op- en afritten naar de Keulseweg ten tijde van de aankoop van het perceel en het bedrijf voor [appellanten] voorzienbaar was op grond van het besluit van de minister tot vaststelling van het tracé van Rijksweg A73-Zuid op 3 maart 1995 en de ter inzage legging op 4 oktober 1999 van het voorontwerp bestemmingsplan "Rijksweg 73-Zuid". [appellanten] hebben dit niet bestreden. [appellanten] hebben weliswaar gesteld dat sprake was van een familiebedrijf en van een samenwerkingsconstructie die gelijk kon worden gesteld met samenwerking in een maatschap, maar dit laat onverlet dat zij met de voor hen nadelige planologische wijziging ten tijde van de aankoop van het perceel en het bedrijf rekening hadden kunnen houden. Voor zover zij zich bij het bepalen van het aankoopbedrag hebben laten adviseren door een taxateur, wordt overwogen dat het door de taxateur gegeven advies voor hun risico komt. De rechtbank heeft in de door [appellanten sub 1] aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen besluiten dat de uit de planologische wijziging voortvloeiende schade redelijkerwijs voor hun rekening behoort te blijven.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

344.