Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6319

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201003900/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Nieuwstadt 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003900/1/R3.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Nieuwstadt, gemeente Echt-Susteren,

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Nieuwstadt 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2010 beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 18 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2011, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.M.E.J. Kuipers-Savelkoul, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan omvat de gehele kern Nieuwstadt en strekt tot actualisering van de voorheen voor het plangebied geldende bestemmingsplannen. Het plan heeft in hoofdzaak een conserverend karakter en is bedoeld als actuele weergave van de bestaande situatie wat betreft bebouwing en gebruik.

2.2. [appellant] is woonachtig op het perceel [locatie] in Nieuwstadt, dat ligt op de hoek met Bij de Vloedgraaf. Hij kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor zijn perceel en de naaste omgeving daarvan.

2.3. [appellant] voert aan dat het plan voor zijn perceel en het perceel Bij de Vloedgraaf 8 ten onrechte voorziet in een goothoogte van 7 meter. Dit zou 6 meter moeten zijn, omdat een goothoogte van 7 meter niet past in het ten tijde van de oprichting van de bebouwing beoogde bebouwingspatroon.

Hij voert voorts aan dat de planregels voorzien in een minimale afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens van 2,5 meter en in een minimale afstand van 3 meter ten opzichte van de voorgevelrooilijn voor bijgebouwen. Nu het perceel [locatie] op een hoek ligt hebben deze regels tot gevolg dat gebouwd kan worden op te korte afstand van zijn achtertuin. Gelet hierop zouden genoemde afstanden 5 meter, onderscheidenlijk 8 meter moeten bedragen voor het perceel [locatie] en het perceel Bij de Vloedgraaf 8, zoals in de voorgaande twee bestemmingsplannen ook het geval was. Voorts zou moeten worden bepaald dat de strook tussen de woningen [locatie] en Bij de Vloedgraaf 8 bebouwingsvrij dient te blijven.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

2.3.2. De raad heeft ter zitting nader toegelicht dat met de in het plan toegestane maatvoering is beoogd meer flexibiliteit te bieden aan burgers zodat, anders dan op grond van het voorgaande bestemmingsplan, niet voor elke uitbreidings- of wijzigingswens een procedure hoeft te worden doorlopen. Met het oog daarop is in het plan een stedenbouwkundig verantwoorde bebouwingsregeling opgenomen die ruimere bebouwingsmogelijkheden biedt dan het vorige bestemmingsplan. Wat betreft de goothoogte heeft de raad betoogd dat deze is aangepast omdat de verdiepingshoogte in het Bouwbesluit is verhoogd van 2,4 meter naar 2,6 meter en dat ervoor is gekozen om, ervan uitgaande dat een verdiepingsvloer 0,4 meter hoogte vergt, flexibiliteit te bieden door een goothoogte van 7 meter toe te laten in plaats van de minimaal voor twee bouwlagen benodigde 6 meter. Deze hoogte is toegelaten voor alle woningen in het plangebied waar ingevolge het voorgaande plan twee woonlagen waren toegestaan. Ook bij het vaststellen van de tussen de bebouwing en ten opzichte van de voorgevelrooilijn aan te houden afstanden heeft de raad in aanmerking genomen dat hem is gebleken dat burgers steeds vaker ruimere bebouwingsmogelijkheden verlangen en heeft hij er met het oog daarop voor gekozen in het plan meer mogelijkheden toe te laten dan in het voorgaande plan. De raad acht de toegelaten goothoogte en de aan te houden afstanden voorts stedenbouwkundig aanvaardbaar.

2.3.3. Aan [appellant] moet worden toegegeven dat het plan kan leiden tot aanzienlijk grotere bouwvolumes dan het voorgaande plan. Daar is echter, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, bewust voor gekozen omdat dit vanuit stedenbouwkundige overwegingen wenselijk wordt geacht. Voorts gelden de ruimere planregels voor toegestane bebouwing voor het hele plangebied, dus niet alleen voor het perceel van [appellant] en het perceel Bij de Vloedgraaf 8. In aanmerking genomen dat de raad over een ruime beleidsvrijheid beschikt bij het leggen van bestemmingen en het vaststellen van de daarvoor geldende bebouwingsmogelijkheden, is er geen grond voor het oordeel dat de raad, na afweging van de betrokken belangen, de door [appellant] bestreden regels voor de maatvoering niet in redelijkheid in het plan heeft kunnen opnemen. De enkele omstandigheid dat in het voorgaande bestemmingsplan een andere maatvoering was voorgeschreven en de nu toegestane maatvoering volgens [appellant] niet past bij het bij de oprichting van de woningen aan de Beijerstraat beoogde bebouwingspatroon vormt geen grond voor een ander oordeel, nu de raad voldoende heeft gemotiveerd waarom in het huidige plan tot andere maatvoeringsbepalingen is besloten.

Het betoog van [appellant] over de maatvoeringsbepalingen faalt.

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover het betreft de maatvoeringsbepalingen waar het beroep van [appellant] betrekking op heeft, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. [appellant] voert aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom naar aanleiding van zijn zienswijze de grens van de voorzijde van het bouwvlak op het perceel [locatie] niet in één lijn is gebracht met de voorzijde van het bouwvlak van de andere percelen aan de Beijerstraat.

2.5.1. De raad heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat een verschuiving van het bouwblok op bedoeld perceel vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk is. Ter zitting heeft hij toegelicht dat het plan op dit punt ten onrechte niet in overeenstemming is met zijn reactie op de zienswijze van [appellant]. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepen van [appellant] is, voor zover het betrekking heeft op de aanduiding "bouwvlak" op het perceel [locatie], gegrond, zodat deze aanduiding dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling zal de raad opdragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit tot de vaststelling van het bestemmingsplan te nemen voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" op het perceel [locatie] en dit besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen.

De Afdeling wijst er nog op dat de voorbereiding van het nieuwe besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor zover dat betrekking heeft op bedoeld plandeel, niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht behoeft te geschieden.

2.6. De raad dient ten aanzien van [appellant] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] gegrond voor zover het betrekking heeft op de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van het perceel [locatie];

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Echt-Susteren van 10 februari 2010, zonder kenmerk, in zoverre;

III. draagt de raad van de gemeente Echt-Susteren op om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot de vaststelling van het bestemmingsplan voor het plandeel, genoemd onder I, te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. verklaart het beroep van [appellant] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Echt-Susteren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 76,55 (zegge: zesenzeventig euro en vijfenvijftig cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Echt-Susteren aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Mathot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

413.