Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201007459/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college aan de commanditaire vennootschap Ruimte voor Ruimte C.V. vrijstelling verleend ten behoeve van de realisatie van vijf woningbouwkavels aan de Valkhofscheweg te Velp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2012/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007459/1/H1.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Velp, gemeente Grave,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 juni 2010 in zaak nr. 09/931 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college aan de commanditaire vennootschap Ruimte voor Ruimte C.V. vrijstelling verleend ten behoeve van de realisatie van vijf woningbouwkavels aan de Valkhofscheweg te Velp.

Bij uitspraak van 11 juni 2010, verzonden op 21 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 januari 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2010.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Ruimte voor Ruimte C.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2011, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. A.H.E. van de Klift, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door M.M.J. Roefs, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ruimte voor Ruimte C.V., vertegenwoordigd door C.J.M. Swart, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Invoeringswet Wro in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wro, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ruimte voor Ruimte C.V. heeft het vrijstellingsverzoek bij brief van 9 november 2007 ingediend.

2.2. Het college betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant] en anderen op de grond, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet in dit geval van toepassing is.

2.3. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 maart 2004 in zaak nr. 200303721/1, moet uit voormelde bepaling worden afgeleid dat de wetgever een concentratie van rechtsbescherming voor ogen heeft gehad om aldus onnodige procedures te voorkomen. Voor zover vrijstelling is vereist teneinde bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen, kan tegen het besluit op het vrijstellingsverzoek worden opgekomen in het kader van de beschikking op een voor dat project ingediende bouwaanvraag.

De bij besluit van 13 januari 2009 verleende vrijstelling heeft betrekking op het realiseren van vijf vrijstaande woningen in het kader van de zogenoemde Ruimte-voor-ruimteregeling. Ten tijde van dit besluit waren, naar niet in geschil is, nog geen bouwvergunningen voor de te bouwen woningen verleend, zodat, gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, in dit geval - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - tegen het besluit van 13 januari 2009 nog niet kon worden opgekomen. Verder blijkt uit het besluit van 13 januari 2009, noch uit hetgeen [appellant] en anderen daartegen hebben aangevoerd, dat de vrijstelling betrekking heeft op niet-bouwvergunningplichtige werkzaamheden die in functioneel en bouwkundig opzicht los staan van bouwvergunningplichtige werkzaamheden en in zoverre zelfstandig voor beroep vatbaar zijn. Het college heeft ter zitting in dit verband toegelicht dat de woningbouwkavels zijn gelegen aan de openbare weg, waarin riolering en nutsleidingen aanwezig zijn. Volgens het college zijn de bouwkavels bouwrijp. Gelet op het voorgaande, had de rechtbank het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 13 januari 2009 niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 januari 2009 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant] en anderen in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hen wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 juni 2010 in zaak nr. 09/931;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

179-357-593.