Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201007153/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen ten behoeve van woningbouw op het perceel dat is gelegen op de hoek van de Abdijweg en de Voortmorsstraat te Weerselo (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007153/1/H1.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 juni 2010 in

zaak nr. 09/552 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen ten behoeve van woningbouw op het perceel dat is gelegen op de hoek van de Abdijweg en de Voortmorsstraat te Weerselo (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 13 januari 2009 in stand gelaten.

Bij mondelinge uitspraak van 16 juni 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 22 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2011, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door J.M.A. Engelbertink en G.J. Preuter-Brunnekreef, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen gebruik kon maken van de projectprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO, omdat het verzoek om vrijstelling niet ziet op een concrete activiteit. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat zijn verzoek van 30 mei 2008 niet voldoende concreet hoefde te zijn omdat zijn brief mede als een verzoek om de bestemming van zijn perceel te wijzigen moet worden opgevat.

2.2.1. Het door het college in bezwaar gehandhaafde besluit dat aan de rechtbank voorlag, ziet enkel op het verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Derhalve bestond voor de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van [appellant] om partiële herziening van het bestemmingsplan bij haar oordeel te betrekken. Overigens heeft het college in het besluit van 13 januari 2009 aan [appellant] medegedeeld dat de raad van de gemeente Dinkelland bevoegd is te beslissen op het verzoek om partiële herziening van het bestemmingsplan en dat [appellant] van die beslissing afzonderlijk bericht ontvangt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200605868/1) moet een project in de mate van concreetheid te onderscheiden zijn van de normering neergelegd in een bestemmingsplan. Hoewel de wetgever het begrip 'project' niet nader heeft gedefinieerd betekent dit niet dat iedere activiteit die in ruimtelijke zin in plaats, afmeting en functie is te begrenzen, zich leent voor de toepassing van de projectprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO. Nu het verzoek van [appellant] toeziet op woningbouw en hij in zijn verzoek niet heeft aangegeven om hoeveel woningen het gaat, het type en de bouwhoogte daarvan alsmede de inrichting en ontsluiting van het perceel, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het verzoek niet voldoende concreet is en daarmee niet ziet op een project zodat het college het verzoek terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

2.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van het betoog van [appellant] dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

414-672.