Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6309

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201006273/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2874, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het college met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht aan de gemeente Groningen vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van ballenvangers, veldverlichting (lichtmasten) en hekwerken op Kluiverboom 1 te Groningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006273/1/H1.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1] en anderen, alle wonend onderscheidenlijk gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 mei 2010 in zaken nrs. 08/658 en 08/685 in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen,

2. [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het college met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht aan de gemeente Groningen vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van ballenvangers, veldverlichting (lichtmasten) en hekwerken op Kluiverboom 1 te Groningen.

Bij uitspraak van 21 mei 2010, verzonden op 25 mei 2010, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2010, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 23 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, tegelijk met zaak nr. 201006065/1/H1, ter zitting behandeld op 31 januari 2011, waar namens [appellant sub 1] en anderen, T.H.Y. de Haan, in persoon, en bijgestaan door mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, [appellant sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Snel, advocaat te Groningen, R.G. Oorthuisen, en C. Wolthuis, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] heeft zijn hoger beroepschrift ingediend samen met 26 anderen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant sub 1] en [11 andere appellanten] geen zienswijze hebben ingediend tegen het aan het besluit van 26 juni 2008 voorafgaande ontwerpbesluit en geoordeeld dat het beroep, voor zover ingediend door genoemde indieners, ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk is. Ter zitting heeft [appellant sub 1A] het hoger beroep, voor zover ingediend namens de hiervoor genoemde en door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaarde indieners van het beroepschrift, ingetrokken. De overige indieners van het hoger beroepschrift worden in het navolgende aangeduid als: appellanten sub 1.

2.2. Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien, rust ingevolge het bestemmingsplan "Lewenborg 2001" de bestemming "Recreatiedoeleinden". Het bouwplan, dat voorziet in lichtmasten met een hoogte van 15 m, is vanwege die hoogte daarmee in strijd. Het college heeft voor het bouwplan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Als ruimtelijke onderbouwing van het project dient het Stedenbouwkundig plan Scholencampus en voetbalvelden Lewenborg van december 2007 dat door de raad van de gemeente Groningen op 30 januari 2008 is vastgesteld.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat het gebruik van de velden voor trainingen en wedstrijden, ook in de avonduren, in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse lichtmasten met een hoogte van 10 m zijn toegestaan. Ter zitting hebben appellanten sub 1 en [appellant sub 2] te kennen gegeven dat hun bezwaren tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunning niet zozeer zijn gelegen in de verhoging van de lichtmasten waarmee slechts is beoogd de lichthinder voor omwonenden te beperken, als wel in de te verwachten overlast ten gevolge van het geïntensiveerde gebruik van de velden dat plaatsvindt na de verhoging van de lichtmasten. Hoewel door het college niet wordt ontkend dat het gebruik van de velden intensiever wordt, stelt de Afdeling vast dat die intensivering nauwelijks het gevolg is van de verleende vrijstelling en bouwvergunning en dat niet aannemelijk is dat in meer dan incidentele mate wedstrijden zullen plaatsvinden die slechts mogelijk zijn vanwege de verhoging van de lichtmasten.

2.4. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat voorafgaand aan de besluitvorming door het college geen overleg heeft plaatsgevonden met omwonenden en dat weliswaar zeven informatiebijeenkomsten hebben plaatsgevonden, maar de plannen pas na de vijfde bijeenkomst definitief vorm hebben gekregen en daarna niet meer inhoudelijk zijn besproken, kan niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat, reeds omdat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, inspraak geen deel uitmaakt van de procedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat het college overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gelegenheid heeft geboden tot het indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbesluit, dat [appellant sub 2] daarvan gebruik heeft gemaakt en dat van een zorgvuldige dan wel onjuiste procedure niet is gebleken.

2.5. Appellanten sub 1 en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat ter plaatse ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, in samenhang met het ontbreken van een bebouwingspercentage op de plankaart, geen bebouwing is toegestaan. Nu van genoemd planvoorschrift geen vrijstelling is verleend, kon het college voor het bouwplan geen bouwvergunning verlenen, aldus appellanten sub 1 en [appellant sub 2].

2.5.1. Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen op de op de plankaart voor "Recreatiedoeleinden" aangegeven gronden de volgende bepalingen:

(…)

c. de totale oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan het bebouwingspercentage dat op de plankaart is aangegeven;

d. bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen worden gebouwd, met dien verstande dat de hoogte van vangnetten maximaal 6 m, lichtmasten 10 m en overige bouwwerken 2 m mag bedragen.

2.5.2. Het betoog slaagt niet, reeds omdat de ballenvangers, veldverlichting (lichtmasten) en hekwerken waarvoor bouwvergunning is verleend, geen gebouwen zijn. Artikel 13, tweede lid, onder c, is op bouwwerken geen gebouw zijnde niet van toepassing.

2.6. Appellanten sub 1 en [appellant sub 2] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het project heeft kunnen verlenen gelet op de bij realisering daarvan te verwachten geluidoverlast voor omwonenden. Zij voeren hiertoe aan dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt ingegaan op de afwijking van de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) opgenomen afstandsgrenzen tot woningen, die volgens de VNG-brochure voor een veldsportcomplex met verlichting 50 m bedraagt. De afstand tussen de sportvelden en de meest nabij gelegen woningen aan de Vaargeul bedraagt 30 m, aldus appellanten sub 1 en [appellant sub 2]. De rechtbank heeft voorts volgens hen ten onrechte geoordeeld dat de VNG-brochure in dit geval niet van toepassing is omdat sprake is van een bestaande situatie. Zij voeren aan dat ingevolge het bestemmingsplan weliswaar lichtmasten van 10 m hoog zijn toegestaan, maar dat lichtmasten van 15 m hoogte een nieuwe situatie vormen waarop de VNG-brochure van toepassing is.

Voorts is volgens [appellant sub 2] het door de Milieudienst Groningen uitgevoerde Akoestisch onderzoek Sportvelden Lewenborg van 1 augustus 2009 (hierna: het akoestisch onderzoek) ondeugdelijk, met name nu daarin ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat in de avonduren geen wedstrijden zullen plaatsvinden.

2.6.1. Het betoog van [appellant sub 2] ten aanzien van dit onderzoek slaagt niet, reeds omdat, zoals hiervoor 2.3 is overwogen, ingevolge het bestemmingsplan ook zonder vrijstelling al wedstrijden in de avonduren mogelijk zijn en niet aannemelijk is geworden dat door de verhoging van de lichtmasten in die mate extra wedstrijden in de avonduren zullen plaatsvinden dat om die reden de vrijstelling moest worden geweigerd.

2.6.2. Voorts wordt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2008 in zaak nr. 200707975/1) in de VNG-brochure ter voorkoming van hinder een afstand van 50 meter aanbevolen tussen een rustige woonwijk en een veldsportcomplex met verlichting. Deze afstand is aanbevolen in verband met het aspect geluid. De in de VNG-brochure opgenomen afstanden zijn indicatief, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.

2.6.3. De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek is vermeld dat het referentieniveau voor de dagperiode op 47 dB(A) en voor de avondperiode op 44 dB(A) uitkomt en uit dit onderzoek tevens kan worden afgeleid dat voor de categorie "rustige woonwijk" die waarden op maximaal 44 dB(A) onderscheidenlijk 40 dB(A) liggen, hetgeen tot de conclusie leidt dat, anders dan [appellant sub 2] betoogt, in dit geval geen sprake is van een rustige woonwijk. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid kon afwijken van de in de VNG-brochure vermelde richtafstand.

2.6.4. Gelet op hetgeen onder 2.6.1 tot en met 2.6.3 is vermeld, kunnen appellanten sub 1 en [appellant sub 2] niet worden gevolgd in hun betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid het algemeen belang en het belang van de gemeente Groningen niet zwaarder kon laten wegen dan de belangen van appellanten sub 1 en [appellant sub 2].

2.7. De hoger beroepen van appellanten sub 1 en [appellant sub 2] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

488.